Ook Moeder en Kind.


De twee nichtjes liepen heel vertrouwelijk met elkander te praten in
de groote beukenlaan, die de buitens hunner ouders vereenigde.
«En, weet je ,» zei Rosie, « onze poes heeft twee kleine poesjes gekregen,
het eene is erg minnetjes en zal wel. gauw sterven, zegt Ma» .
« En 't andere ?» vroeg Fanny, met ingehouden adem.
«Dat blijft bij zijn moesje, denk ik» , hernam Rosie.

« He, je moest vragen of ik het mag hebben, ik verlang al zoo'n poos
naar zoo'n lief dotje, en je zult eens zien hoe goed ik er voor zal zijn.
Ik zal het mijn mooie poppenledikantje, met de kanten gordijntjes er voor,
geven om in te slapen, en een schoteltje van mijn beste serviesje voor zijn melk. Vraag je 't, Roo ?»
Rosie beloofde het, en een maand later was het poesje in Fanny's bezit.

O! wat was ze gelukkig! Neen maar, zoo'n snoeperig, beelderig katje had er
ook nog nooit bestaan.
't Was heelemaal wit en 't had prachtige, blauwe oogen en 't kon ze zoo guitig dichtknijpen, och! 't was zoo'n heerlijk snoeze-poesje !
Fanny solde er den geheelen dag mee en dien avond sliep het voor haar bedje,
maar niet in 't mooie poppenledikantje, want dat vond Mama zonde.

Den volgenden ochtend stonden de twee nichtjes allebei, zonder dat ze 't aan elkander gezegd hadden, om zes uur op.
Ieder met haar poes onder den arm gingen ze uit, en ze ontmoetten elkander
juist bij het stoepje, dat van Rosie's tuin naar dien van Fanny leidde. -

«Wat kom je doen?» vroeg Rosie.
«En jij?» vroeg haar nichtje.
« Ik kom je het poesje terugbrengen,» antwoordde Fanny.
«En ik breng de groote poes naar je toe » , vertelde Rosie.
«Waarom ?» vroegen ze beiden tegelijk.
«Wel,» , zei Fanny, het arme lieve diertje kon maar niet slapen van nacht,
het deed niets dan huilen; en toen nam ik me voor om het morgen terug te brengen.»
«Nu» , zei Rosie , «weet-je, bij mij was 't net zoo;
Poes liep den heelen nacht door 't huis om haar kleintje te zoeken,
en toen heb ik haar getroost en gezegd
Wees nu maar zoet, morgen ochtend breng ik je naar je kindje.
Ja, zeker, 't zijn wel beesten, maar ze zijn toch óók moeder en kind».
De twee meisjes zetten de twee katten bij elkander op 't gras.
O ! wat waren ze gelukkig !
Ze spraken af, ik meen Rosie en Fanny, dat ze om beurten
de twee poesen ieder een week zouden nemen, dan hadden ze ieder wat,
en zoodoende bleven moeder en kind bij elkander.

THÉRESE HOVEN.

 
   


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

naar inhoud wilheminaprentenboeken naar index