Ida's vondst

Idas Mama was over drie dagen jarig. Nu zoudt ge denken dat Ida dat heel prettig vond.
Maar dat was niet het geval, want het kleine meisje had geen zakgeld meer om een verjaarsgeschenk te koopen voor haar lieve moeder en daar was het goede kind heel verdrietig over.
Haar broertjes en zusjes hadden al lang hun centjes en dubbeltjes opgespaard om Mama wat te kunnen geven op haar verjaardag.
Maar Ida was heelemaal platzak, en met leege handen aan te komen was toch allesbehalve aardig.
Hoe kwam het toch dat Ida niets had ? Zij kreeg toch even-veel zakgeld als de andere kinderen, en versnoept of verkwist had zij het niet.
Ida had een medelijdend hartje.
Zij kon geen arm, hongerig kindje, voorbijgaan op straat zonder het wat te geven. En zoo raakte haar geld al gauw op.
En nu had zij juist haar laatste kwartje gebruikt om een hond het leven te redden.
Een kwajongen had een hondje willen verdrinken, juist toen Ida langs het water wandelde.
Hij had het arme beest al een steen om den hals gebonden, toen Ida hem, met tranen in de oogen, smeekte het ongeluk-kige diertje het leven te laten.
Voor een kwartje, het laatste dat zij bezat, had de jongen grinnikend den zwervenden hond genade geschonken.

Ida wist wel dat Mama niet boos zou zijn, als zij haar geen cadeautje kon geven, omdat zij haar zakgeld voor weldoen had gebruikt. Maar zij liep toch mistroostig door het dorp, toen ze, op een mesthoop voor een boerderij, een oud bord zag liggen, met een scherfje er uit.
Zij bekeek het eens van nabij en zij vond het wel aardig met die mooie blauwe figuren er op.
« Je mag het wel hebben, als je 't mooi vindt» ,zei de boeren-meid, die aan het werk was op het erf, « de boerin heeft het toch weggedaan omdat er een scherf uit is en toen heb ik het maar op de mestvaalt gegooid.»
Ida wilde het bord wel hebben, om op te hangen tegen den muur op haar eigen kamertje.
Maar toen ze er mee thuiskwam, zei Sientje, de meid :
« Wel, Ida, hoe kom je aan dat mooie Delftsche bord?»

Ida vertelde 't haar en Sientje zei dat het heel dom van
de boerin was zoo'n kostbaar stuk voor oud vuil weg te gooien en dat Ida er maar eens mee naar stad moest gaan.

In den winkel van Holmers zou zij er zeker goed geld voor krijgen. Ida lachte eerst en dacht dat Sientje haar maar wat op de mouw wou spelden, maar Sientje hield vol dat zij naar Holmers moest gaan met haar vondst.

Ida waschte het bord eerst netjes af en ging er toen mee naar den kunstkooper Holmers, in de stad. De winkelier bekeek het aan alle kanten en gaf er Ida tien gulden voor !
Wat was Ida nu blij! Zij kocht een prachtig werktaschje voor Mama's verjaardag
en bracht toen de rest van het geld aan de boerin, want die zou het bord zeker niet hebben weggedaan, als ze er de waarde van had geweten. Maar de boerin liet het haar houden, omdat zij zoo'n goed meisje was.

H. S.

   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

naar inhoud wilheminaprentenboeken naar index