Aan het strand


Het was een zomerdaagje
Zoo prachtig als 't maar kon;
De lucht was klaar en helder,
En koestrend scheen de zon.
De trotsche zee ligt rustig
Te kabb'len aan het strand,
Waar soms een speelziek golfje
Een weg zoekt door het zand.
Daar ruischen kinderstemmen
Naast gullen kinderlach
Van 't drietal jolig volkje
Aan 't strand op dezen dag.
Zij droegen elk bij beurten
Het zand bij hoopjes aan,
En bouwden toen een vesting
Met schelpjes langs de pan,
Een tweede vesting rees er
Dra naast de eerste op,
En wapp'rend waait de driekleur
Van beider hoogsten top.
Mimie, die lieve blonde
Is 't scheppen nog niet mo,
Al ziet Johan, haar broeder,
Al lui'rend daarbij toe.
Annet draagt spa en emmer,
En stapt al naderbij -
Maar hoopt, dat dit haar vrachtje
Vandaag het laatste zij!
De vestings zijn in orde,
Dra stijgt de zee -wier vloed
Het scheppingswerk der kleenen
Weldra vernielen doet.
Maar treur niet, knaap en meisjes,
Kijk toch maar niet bedroefd;
Gij weet wel -dat u morgen
Weer nieuwe feestvreugd toeft!

F. H. van Leent

 
   
   
   




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

naar inhoud wilheminaprentenboeken naar index