Zomer en Winter.

Het is zomer, de boomen zitten vol bladeren, die lustig heen en weer wiegelen in den vroolijken zonneschijn.
De bloempjes steken de aardige kopjes lachend boven den grond uit
en knikken elkander vriendelijk toe.
De grassprietjes hebben allerlei zoete geheimpjes met elkander en groeien dat 't een lust is.
De vogeltjes zingen 't hoogste lied uit of vliegen met uitgestrekte vleugel-tjes over het water heen, dat er heerlijk blauwen helder uitziet.
De lucht staat zoo klaar, er is haast geen wolkje te zien.
De insecten gonzen blij te moede en alles is even vroolijk.
En de menschen wachten totdat 't heetst van den dag voorbij is,
en gaan wandelen tegen dat de zon ondergaat.

Het is winter, brr, wat een kou !
De boomen zijn kaal en bladerloos, al de lieve bloempjes zijn dood
of verdord en de lustige grassprietjes zijn bedolven onder een kleed van sneeuw.
Het water is bedekt met een ijskorst en de lucht ziet grijs en zwart;
o! foei, wat donkere wolken komen er achter de boomen opzetten !
Overal is 't stil in 't rond, geen krekeltje piept, geen bijtje gonst.

 

 

Kareltje loopt met zijn zuster over de sneeuw en praat over
den prettigen, mooien zomer, toen hij bloemen kon plukken
zooveel hij maar wilde en beladen er mee thuiskwam.
Maar nu....en half uit verveling, half uit lust om toch iets mee
te nemen, heeft hij een stokje opgeraapt en boort er gaatjes mee
in de sneeuw.
Opeens kijkt hij verrast op -een beeldig vogeltje, zooals hij er nog nooit een gezien heeft, vliegt op zijn stokje. Karel is doodstil en verroert zich niet, uit angst, dat 't weg zal vliegen, maar neen,
het beweegt zich niet.

"O! Suus", fluistert Karel, "het is dood, hoe jammer, he ?" -
Suze echter neemt het voorzichtig in haar hand en verzekert haar broertje dat 't niet dood is, doch alleen maar bevangen door de kou.
"Wacht maar", zegt ze, " we zullen het meenemen en dadelijk
naar huis gaan, ik wed dat wij 't wel kunnen verwarmen" .
En de twee liepen zoo hard ze konden.

Zoodra ze thuiskwamen, bracht Suze 't arme beestje bij de warme kachel,
en jawel -'t opende zijn oogjes, toen gaf ze het wat zaad en 
een beetje water en zette het daarna in een leeg kooitje, dat ze gelukkig nog had, en daar kwam het heelemaal bij.
O! wat was Karel blij, toen hij zijn nieuw vriendje vroolijk zag rondhuppelen.

"He Suus", riep hij," zoo iets heerlijks hebben wij nog nooit uit
't bosch thuisgebracht, dat is nog beter dan bloemen".
Ja, zeker, stemde Suze toe,  en weet je, de bloemen gaan zoo
gauw dood, nadat je ze mee hebt gebracht.
En 't vogeltje hebben we levend gemaakt , juichte Karel, dat is
net 't omgekeerde.
't Tegenovergestelde, meen je, viel Suze in.
Och! wat, dat doet er niet toe, je begrijpt me wel, en och! ik ben
zoo blij met mijn lief vogeltje.
En Karel bleef er nog lang naar kijken, en was Suze heel dankbaar, omdat zij er zoo goed voor had gezorgd.

TH. Hoven.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

naar inhoud wilhelminaprentenboeken naar index