Puck's slaapkameraadjes.


Mijn meester, die in IndiŽ woont, kreeg 't onlangs in zijn hoofd
op reis te gaan en mij onder de hoede van een van zijn inlandsche bedienden achter te laten.
Natuurlijk was ik daar verontwaardigd over.
Is dat nu ook een manier van doen ?

Ik houd er anders wel van buiten te zijn, want ik kan dan altijd
vrij rondloopen en de konijnen achternazitten, maar nu is 't me
buiten te stil, want de kinderen van mijn meester zijn allemaal
met hem meegegaan.
Zelfs de kleine poesen schijnen ze te hebben verstopt.
Iedereen kan zich voorstellen hoe ik me dus moet vervelen.

Louis, de bediende die voor me zorgen moet, heeft vijf kleine jongens,
die veel van puckhonden schijnen te houden.
Van mij ten minste houden ze veel.
En omdat ik nu toch niemand anders heb, amuseer ik me in vredes-naam maar met hen, zoo goed en zoo kwaad mogelijk.
Den eersten avond dat ik er was, zat ik midden op den vloer,
en de tranen kwamen me in de oogen, want ik wist maar niet
waar ik moest gaan slapen.
Toen kwamen de vijf zwartjes allemaal naar me toe; ze zagen zeker
dat ik zoo bedroefd was.
Een van hen nam me op in zijn armen, en zei,
Schrei maar niet, Puckje, je mag bij mij slapen, hoor!
En hij droeg me de trap op en legde me in een groot bed.

Al de anderen gingen ook al gauw naar bed. Ik lag in 't midden.
Nu, ik denk dat 't wel een grappig gezicht zal zijn geweest,
die vijf zwarte hoofden op de kussens, en ik er tusschenin.
We slapen nu altijd zoo.
De kinderen hebben 't graag, en ik vind 't ook zoo kwaad nog niet.
Ik zal me op die manier maar een beetje in mijn eenzaamheid troosten.

PUCK.

 
   

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


naar inhoud wilheminaprentenboeken
naar index