Het Eekhorentje.

Waar genoeg is voor één is licht ook genoeg voor twee.
Zoo dacht een aardig eekhorentje er ook over .

't Was winter en het vlugge diertje met zijn prachtigen pluimstaart vond geen nootjes meer in het bosch.
Toen huppelde hij een warmen stal binnen, waarvan de deur op een kiertje stond.
Het oude paard, dat de stal bewoonde, zag er heel goedig uit en
het eekhorentje vatte moed en sprak het beleefd aan:

«-'t Is hier zoo lekker warm- en in het bosch is het zoo akelig koud.
De sneeuw ligt hoog, het water is bevroren en al de hazelaars zijn kaal.
Zou ik niet een poosje hier mogen logeeren ?
Ik zou u zoo dankbaar zijn voor de gastvrijheid.
Uw ruif is goed gevuld, uw stroo is versch en geurig, ik neem maar
een heel klein plaatsje in en ik eet zoo weinig!
Ik zal het u niet lastig maken en niet erg duur zijn in den kost!
» .

Het oude paard vond het eekhorentje wel aardig.
Blijf jij hier maar gerust overwinteren, zei het paard.
Hier is eten volop en je hindert me niet.
»
Zoo werden het paard en het eekhorentje beste maatjes. Zij hielden elkaar gezelschap en vertelden elkaar hun lotgevallen.
Toen de winter voorbij was, nam het eekhorentje dankbaar afscheid
van zijn gullen gastheer.
En het paard riep hem nog na :
« Kom maar gerust terug als het weer winter wordt. Hier vind je altijd
wel een maal , als er geen nootjes meer zijn in het bosch!
»

H. S.

 
   


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

naar inhoud wilheminaprentenboeken naar index