Boekdrukkunst

Laurens Janszoon Coster

Jarenlang hebben ze in Haarlem gedacht dat hun Laurens Janszoon Coster
de uitvinder van de boekdrukkunst was.
Er staat dan ook een reusachtig standbeeld van hem op de Grote Markt.
Zelfs koningen krijgen in Nederland maar zelden een dergelijk eerbetoon.

Maar het verhaal van Coster blijkt alleen maar een mooi romantisch verzinsel,
al zegt deze Coster-legende wel veel over hoe onze voorouders met de geschiedenis omgingen.

In werkelijkheid is het drukken van boeken rond 1455 uitgevonden door Johannes Gutenberg in Mainz.
Uit de Nederlanden is geen drukwerk bekend van vóór 1473 en het eerste boek
in de Nederlandse taal verscheen pas in 1477.

 
   

Gutenberg

Al langer werden er blokboeken gedrukt, waarbij een volledige pagina uit één blok hout werd gesneden, maar het snijden van zo'n houtblok kostte veel tijd en
het kon na het drukken van dat ene boek worden weggegooid.
Gutenberg ontdekte hoe je uit losse loden letters een tekst kon zetten.
Als je eenmaal de letters had, kon je snel een nieuwe pagina maken, en na
het drukken kon je dezelfde letters opnieuw gebruiken.
Gutenberg begon meteen groots: zijn eerste product was de bijbel, een monsterproject.
Maar hij was niet alleen uitvinder, hij was ook een goede koopman:
het drukken van boeken bleek lucratief en de nieuwe uitvinding werd snel nagevolgd. De wereld veranderde erdoor.

Boeken konden nu veel sneller geproduceerd worden.
Terwijl je vroeger maanden nodig had om één boek over te schrijven, kon je nu in diezelfde tijd honderden gedrukte exemplaren maken.
Boeken bleven duur, maar werden toch minder exclusief dan eerder het geval was.

Het duurde nog bijna twintig jaar voordat in 1473 het eerste boek in de Nederlanden werd gedrukt; Gutenberg was toen al jaren dood.
De eerste teksten waren in het Latijn, maar al gauw werd er ook een Nederlandse tekst gedrukt, ook nu weer de bijbel.
Twee Delftse drukkers, Jacob Jacobszoon van der Meer en
Mauricius Yemantszoon, waagden zich eraan en op 10 januari 1477 verscheen
de Delftse Bijbel (die trouwens alleen het Oude Testament bevatte) .

De eerste drukkers in de Nederlanden zaten vooral in Hollandse steden als Delft en Gouda.
Pas later werden ook op grotere schaal in het Zuiden boeken gedrukt.
Al gauw nam de rol van Holland af en groeide Antwerpen uit tot het boeken-centrum van de Nederlanden.
Daar werd alles gedrukt waar maar belangstelling voor was.

 

Mariken van Nieumeghen

Een van de boeiendste verhalen uit de middeleeuwen is het verhaal van Mariken van Nieumeghen.



De geschiedenis van Mariken wordt in de 16de eeuw geschreven.

Mariken (een weeskind) doet het huishouden bij oom Gijsbrecht (een vrome priester) .
Ze woont drie mijl van Nijmegen. Mariken gaat naar de markt in Nijmegen en bij haar tante ('Moeie') vraagt ze onderdak. Haar tante scheldt haar uit omdat Mariken ruzie had gehad met andere vrouwen over hertog Adolf.
Als ze wanhopig in het donker weer op weg naar huis gaat ontmoet ze de duivel Moenen.
Mariken wil zijn geliefde zijn in ruil voor het leren van de zeven vrije kunsten en vooral de Zwarte Kunst. Moenen belooft haar alle talen te leren, maar niet de "nigromantie"(zwarte kunst) .

Mariken moet haar naam veranderen in Emmeken en mag geen kruisteken meer maken. Een en ander heeft te maken met de voorstelling die men zich in de middeleeuwen maakte van de duivel:
deze had altijd een lichaamsgebrek - "Moenen metten eenen ooghe" - en was bang om de naam van God of Maria te horen (Maria is de patrones van Mariken en dus moest de naam Mariken veranderd worden) .
Ze gaan naar 's-Hertogenbosch. Oom Gijsbrecht gaat Mariken zoeken en bezoekt haar tante.
Dan is er een politieke omwenteling: Graaf Arend komt vrij en tante pleegt uit woede zelfmoord.
Mariken en Moenen verblijven in herberg 'De Gulden Boom' in Antwerpen; Mariken draagt een refrein voor (met de 'stockregel': 'Door d'onkonstige gaat die konste verloren') .

Jarenlang leiden ze een zondig leven. Na zeven jaar (let op de symboliek van het getal, evenals in de marialegende Beatrijs) gaat Mariken terug naar Nijmegen.
Mariken ziet een wagenspel op de markt van Nijmegen waarin een zekere Masscheroen een beroep doet op Gods rechtvaardigheid en Mariken doet een beroep op Gods barmhartigheid.
Mariken krijgt nu berouw - Moenen is kwaad en neemt haar mee hoog de lucht in en gooit haar naar beneden.
Ze wordt gevonden door oom Gijsbrecht die Moenen verdrijft. (Dit doet hij met behulp van toverspreuken) .
Mariken heeft absolutie nodig en gaat met oom Gijsbrecht naar de bisschop van Keulen en later naar de paus in Rome.
Moenen probeert hen onderweg te doden. Mariken krijgt als straf drie ijzeren ringen om hals en armen, die pas af zullen vallen als het zondig leven haar vergeven is.
Mariken trekt zich terug in een klooster in Maastricht en na jaren van boetedoening vallen de ringen inderdaad af. Daarna leeft Mariken nog twee jaar en sterft vredig omstreeks 1500.

Het verhaal van Mariken werd opgevoerd in typische stedelijke locaties, zoals een herberg, het marktplein en tijdens stedelijke hoogtepunten, zoals de wekelijkse markt en processies.
De thema's die in dit soort voorstellingen telkens weer terugkomen zijn zonde, boete en vergiffenis.
Op een beeldende, levendige en ontroerende manier maakt men kennis met angsten en overtuigingen van de late middeleeuwen. Met twijfel tussen aardse weelde en hemelse zaligheid. Met de vrees voor de dood en de duivel,
maar ook met het vertrouwen op God en Maria (de patronesnaam van Mariken) .

 
Drukletters

In de middeleeuwen vermenigvuldigden kloosterlingen teksten door over te schrijven.
Eerst tot meerdere glorie van het evangelie en dan van renaissance en humanisme.
Boeken kunnen lezen was toen heel bijzonder, maar bezitten...
Een boek was een kostbaar handwerk, letter voor letter getekend en voorzien van initialen
en randmotieven in schitterend blauw, groen en goud.
De kunst van het drukken, gebruikmakend van losse loden letters, kwam niet zomaar uit de lucht vallen.

Omstreeks 1450 was het zover.
Van Laurens Jansz. Coster weet eigenlijk niemand of een paar weinig fraai te noemen werkstukken van hem zijn.
Van Johan Gutenberg zijn veel zakelijke en persoonlijke gegevens en prachtige drukwerken bekend.
Hij liet metalen stempels snijden,waarmee matrijzen in een koperlegering werden gemaakt.
Daar werden letters van gegoten in een verstelbare handgietvorm.
Gutenberg's pagina's vertonen volkomen gave regels waarin de letters in elke willekeurige volgorde harmonisch aansluiten.
De drukpersen werden in die voorbije dagen zelf gebouwd.
De beroemde 42-regelige Gutenberg-bijbel had een oplaag van op z'n hoogst 200 exemplaren, merendeels op papier
en een dertigtal op perkament.

De tekst werd zwart gedrukt en initialen, randversieringen enz. werden door illustrators ingetekend in rood, blauw en goud.
Aan de 645 pagina's werkten zes letterzetters en er waren zes persen voor in gebruik.
Bewaard gebleven exemplaren zijn nu miljoenen waard. Maar we kunnen ze bekijken, in opperste verbazing
dat in die dagen zó mooie boeken konden worden gemaakt. Overigens geldt de verbazing niet alleen de techniek,
maar ook de commerciële prestatie om reeds toen dergelijke uitgaven tot stand te brengen.

Vijf eeuwen lang was de loden drukletter de basis van het drukkersbedrijf.
Letters werden tot woorden, woorden tot regels en regels tot pagina's geformeerd.
En later tot duizenden andersoortige drukwerken. Totdat - nog maar kort geleden - electronica en computer
het produceren van de tekst in een paar jaar tijds nagenoeg geheel van de oude technieken overnamen.

Daarin lag de reden tot oprichting van de Stichting Lettergieten 1983, met als doelstelling
"de produktie van de loden drukletter ten behoeve van het hoogdrukprocédé in stand te houden".
In de museum-werkplaats van deze stichting wordt het lettergiet-ambacht uitgeoefend.
Met gebruikmaken van technisch hoogst vernuftige toetsenborden en gietmachines en allerlei bijbehorende hulpmiddelen.
En met meer dan anderhalf-duizend matrijzenramen van fraaie letter-typen uit het rijke verleden van de boekdrukkunst,
als Bodoni, Garamond, Gill, Van Dijck, Plantijn en Times.
De museumwerkplaats giet lettermateriaal in opdracht voor drukkerijen, drukkers in de marge, boekbinders,
scholen en kunstinstellingen.
Een verouderd letterbestand kan worden vernieuwd of aangevuld met een keuze uit de mooiste lettertypen.
Al enige jaren worden letters en ornameten in harde legering gegoten, ook geschikt voor het stempelwerk van handboekbinders. Welhaast volmaakte techniek...
De industriële revolutie bracht in de eerste helft van de vorige eeuw ook de uitvinding van de boekdruksnelpers,
die de sedert eeuwen beoefende handpersdruk in betrekkelijk korte tijd uitschakelde.
De versnelling van het drukken deed de wens ontstaan om ook het zetwerk te mechaniseren.
En na veel ontoereikende pogingen lukte dat.
Wie de nu toegepaste werkwijze nauwkeurig beziet, onderkent daarin het oude handwerk "vertaald" in mechanische techniek.
De thans in de museumwerkplaats gebruikte toetsen-borden en gietmachines zijn in oorsprong
een Amerikaanse uitvinding van plm. 1890, door de Monotype Corporation Ltd. in Engeland ontwikkeld tot welhaast
een monument van precisie en veelzijdigheid.

 

Stripverhalen

Aanvankelijk werden de Nederlandse strips op zeer ruime schaal aangeschaft, verder een representatieve keuze uit de buitenlandse strips in de oorspronkelijke taal, en literatuur over strips. Door de komst van het Depot van Nederlandse Publicaties in 1974 veranderde de aanschaf van de Neder-landstalige strips, die nu immers automatisch geleverd zouden gaan worden. Daardoor is er een tweedeling in de collectie strips van de KB ontstaan:
de depot collectie en de collectie van de wetenschappelijke afdeling. In 1988 werden ook de Nederlandse strips aanwe-zig in de wetenschappelijke collectie overgeheveld naar het Depot. Beide collecties zijn bij elkaar geplaatst in hetzelfde magazijn. De depotcollectie is verreweg de grootste en de belangrijkste: ze bevat alle strips die er in Nederland ver-schijnen, voorzover die tenminste naar de KB worden ge-stuurd. Dat betreft zo'n 150 meter, de ene helft bestaande uit series en tijdschriften, de andere uit albums. En daar zit zo van alles tussen: Kuifje, Suske en Wiske, Sjors en Sjimmie, Eric de Noorman, Marten Toonder, de classic-series, maar ook pulp-series zoals de Strips voor Volwassenen (o.a. Bonte Verhalen, Taboe, Terror en Vampirissimo.)
Door schenkingen is er ook ouder materiaal binnengekomen: zo zijn er een aantal afleveringen van Bruintje Beer uit de oorlogsjaren, de eerste jaargang van het tijdschrift Tom Poes (1947), en afleveringen van Donald Duck, Sjors van de Rebellenclub, Kapitein Rob, Jimmy Brown en Flipje Tiel uit de jaren vijftig en zestig.



In de jaren zestig kende de strip in de Westerse wereld een ongekende populariteit, en dat niet alleen bij kinderen, maar vooral bij intellectuelen.
De argeloze bezoeker, die in die tijd de alternatieve eethuisjes in de universiteits-steden betrad, kon daar vaak het studerend publiek, met de eetstokjes in hun hand boven een bord pompoenenpuree, totaal verdiept aantreffen in Fritz the Cat, Flash Gordon of Suske en Wiske, als betrof het een exposë over de categorische imperatief van Kant.

Toch was het lezen van strips wel degelijk een bloedserieuze aangelegenheid: het ging niet alleen om de pret, puberaal geweld of sex. Er was een behoefte het medium diep te doorgronden.
Er verschenen dan ook boeken met titels als Bande dessinée et figuration narrative, histoire, esthétique, production et sociologie de la bande dessinée mondiale, procédés narratifs et structure de l'image dans la peinture contempo-raine, en Comics, Anatomie eines Massenmediums.

Het Instituut voor Neerlandistiek publiceerde een degelijke Inhoudsanalyse van de Bommel-strips, en in de gedistingeerde Akademie der Kunste in Berlijn werd het stripsymposium Vom Geist der Superhelden gehouden.
Voor de KB was het eigenlijk vanzelfsprekend dat, in de woorden van de toenmalige vakreferent kunstgeschiedenis
Jan Storm van Leeuwen die in 1969 een notitie over de wenselijkheid van een strip-collectie schreef, 'dit beeld van een cultuurhistorisch fenomeen moest worden vastgelegd, en wel in de KB'.
De KB zag hier dus een mooie nationale taak voor zich weggelegd, waarbij de aanwezigheid van de collectie kinderboeken, waarmee strips verwant zijn, en de enorme verzameling kranten, waarin veel strips worden gepubliceerd, een rol speelden.

De wetenschappelijke collectie bevat ca. 700 nummers. Het verzamelbeleid van strips voor de wetenschappelijke collectie staat op een laag pitje: er wordt van uitgegaan dat de goede buitenlandse strips in vertaling het Depot binnenkomen.
Bovendien is het terrein zo enorm uitgebreid, dat er met een beperkt budget nauwelijks verantwoorde keuzes gemaakt kunnen worden.
Wel probeert de KB een zo goed mogelijk overzicht van de geschiedenis over de strip, handboeken en encyclopedieën aan te schaffen.
De toekomstige onderzoeker naar de cultuur van onze tijd zal in deze collectie zijn hart kunnen ophalen.
Misschien kan hij hier wel, in 'Vreten maar!!', no. 112 uit de serie 'Terror' het antwoord vinden op de problematiek van de boulimie, in 'Bloederige Kerstmis', leren over het vieren van Kerstmis in bepaalde kringen, of in 'Snakken naar Moord' en 'De Gek aan het Stuur' iets vinden over het rijgedrag uit de jaren tachtig.
En toekomstige feministen zullen ongetwijfeld geïnteresseerd raken in de strapatsen van Lucifera uit de gelijknamige serie.

 

 

Kranten

De advertenties van de kooplieden werden in eerste instantie in kranten geplaatst.

De grafische opmaak van de kranten en de advertenties weerspiegelden
de veranderlijke manier van produceren en verkopen van goederen.
De eerste krant de Avisa Relation oder Zeitung was in 1609 in Straatsburg verschenen.
De Nederlandsche krant liet nog lang op zich wachten.

In 1618 verscheen in Amsterdam de Tydinghe uyt verscheyden quartieren.
Opvallend genoeg kwam die krant eerst zonder naam uit.
Snel zouden bij de Uitgevers Hilten en Broer Janz andere titels als
de Hollandse Mecurius en de Courant uyt Italien en de Duytschland verschijnen.
Deze uitgevers waren zo bedreven in het vak dat ze ook voor andere landen drukten.
De titels van de kranten waren aanvankelijk betrekkelijk klein, dat was geen probleem omdat ze slechts op abonnement verkrijgbaar waren.
Toen ze eenmaal door krantenjongens op straat werden verkocht, bleek de titel toch moeilijk leesbaar voor passanten.
Een vergelijkbare ontwikkeling is bij de tijdschriften aan te wijzen.
Deze werden per postkoetsen naar de besteladressen gebracht.
Halverwege de 19de eeuw voldeed de klein beletterde titelpagina niet meer en toen ontstond de fleurige omslag.

 
   

 

spelen met letters en versieringen

 

 

Het alfabeth rond 1900

naar index