DE VIER OVERMOEDIGE ZWIJNTJES



Vier zwijntjes vol van overmoed
Gingen de wereld tegemoet:
Het was een schoone morgen,
Een morgen zonder zorgen.
Zij gingen, vroolijk, onbezwaard,
Met krullen in hun staart.

De eene zei: wat ben ik blij,
'k Ga nooit meer naar die boerderij !
De tweede zei: 'k neem nooit meer voer
Van dezen akeligen boer,
Ik raakte buiten westen
Van al dat vette mesten !

De derde zei: ik ben verheugd
En blijheid is een deugd !
Wat zeg je van die nieuwe meid,
Die 't voer in onze hokken leit?
Wat zijn dat voor grimassen
Een big met zeep te wasschen?

De vierde knorde eens en zei:
Zoo'n leven dat is niets voor mij!
Een big een big, een zwoord een zwoord,
De vrijheid is een heel mooi woord!
Wij gaan vereend en eens van zin
Dit groene knollenveldje in!

Zij aten daar hun buikje rond
Aan alle knollen in het rond,
Hoewel dat toch niet paste
Aan ongenoode gasten.
Toen kwam de boer met zijn geweer
En schoot de vette biggen neer !

Daar lagen zij nu naast elkaar
Ze klaagden en ze knorden maar:
Wat is die wereld aak'lig groot
En waarom schiet men biggen dood:
Dat is toch onverantwoord....
Maar niemand gaf hun antwoord....

De boer kwam met zijn groote kar
En keek ontzettend bar.
Hij nam de zwijntjes op zijn nek,
Droeg het te vroeg gevallen spek
Zonder veel meer te vragen,
In 't stroo van zijnen wagen.

Zoo eindigt de geschiedenis
Van 't dier dat onvoorzichtig is,
Dat om een niets, een niemendal
Wegloopt van voer en warmen stal,
En meent dat het onpassend is,
Dat het met zeep gewasschen is....


naar inhoud Tom Poes - naar index