DE KONINGSKEUZE

Een leeuw, die overleden was
Omdat hij overreden was,
Aan d'ingang der woestijn,
Was ook de laatste van zijn ras
Zoodat er dus een plaatsje was,
Wijl er een vorst moest zijn.

Er was nu een vergadering,
Waar in den grooten dierenkring,
Zeer druk besproken werd,
Wie wel van alle kameraads,
Voor deze vrijgekomen plaats
Het recht had (en de meeste praats)
De waardigste kon zijn.

De slang begon te spreken,
Zoodat ze allen keken.
Het was een beest van zeven voet
Met een verraderlijk gemoed,
Dat was heel vaak gebleken.
Ze had een valsch gespleten tong,
Waarmee ze heel goed praten kon,
Om niet te zeggen: prééken !

Ze zei: de wereld is zoo slecht,
Daar komt niets van terecht,
En moet er dus een koning zijn,
Dan moet hij niet van honing zijn,
Maar eentje met venijn !
't Is heel goed dat hij dapper is,
Maar beter als-ie knapper is.
Hij hoeft niet ver te wandelen,
Maar hij moet onderhandelen !
De dieren hebben réchten,
Wie praat er nog van vechten ?
Dat doen alleen de slechten !
Vooruit maar met de kroning,
Want men geniet mijn wijsheid wel
En ziet ook mijn bereidheid wel,
Te zijn: uw aller koning !

De dieren waren allen bang
Van deze valsche slang,
Zij sloegen aan het mopperen
Maar durfden niets te opperen
En zwegen dus heel lang !

Maar toen begon een oud kameel,
Zijn oog was dof, zijn huid was geel,
Een klagelijk gezang....
Hij was er heusch niet minder om,
Maar 't bleek dat hij niet zingen kon
En 't was ook veel te lang.
Maar wat hij zong, zeg ik in 't kort:
Die valsche slang moet vort!
Maar wil je 'n koning en wil je véél,

Dan neem je een kameel !
Ik drink nog maar bij vlagen
Slechts ééns in zeven dagen,
En op de bulten die ik heb,
Kan 'k jullie allen dragen.
Zaagt ge ooit in vorstenwoning
Zulk een voortref'lijk koning?
Als dat maar alles waar is,
Zei nu de dromedaris....
Zie ik het goed of ben ik scheel,
Jij hebt een bult teveel !
Een koning moet een koning zijn
En niet zijn eigen woning zijn....
Ik kan van schaamte smelten,
Jij bent een vorst op stelten !

De jakhals en de jaguar,
Waren als koning al te bar,
En voor den tijger was men bang,
Zoo goed als voor de slang.
Toen kwam er nog een aapje,
Zoo'n heel klein dadelschraapje....
Hij kon nog zelfs niet lezen,
En wou toch koning wezen.
De dieren, nou dat snapje
Die vonden het een grapje,
En zelfs die zure valsche slang
Lachte wel tien minuten lang.

Toen eind 'lijk zei een wijze beer,
Die zelf bedankt had voor de eer,
Om dierenvorst te zijn,
Mij dunkt dat 't allerbeste is,
Dat wij, na de begrafenis,
Die mooi en duur moet zijn,
Eens met elkander praten gaan
En met een leeuw te rade gaan
In d'aangrenzende woestijn.
Hier kijken wij ons toch maar scheel
En daar, daar heb je er teveel,
Want zonder koning gaat het niet,
En zonder leeuw, dat staat toch niet.
Wijl 'kzelf geen koning wezen dorst,
Wil 'k ook geen aap of slang als vorst.
Zoo laat ons nu besluiten
En ga dan mee naar buiten,
Ik voel migraine naderen
Van al dat druk vergaderen.

En op dit wijze boerenwoord
Vergadering gehoord -
Viel nu 't verstandige besluit,
Dat beer en tijger samen uit
D'aangrenzende woestijn,
Met smaak en onderling beraad,
Te zoeken hadden voor den Staat,
Een leeuw, die vorst kon zijn !

 

naar inhoud Tom Poes - naar index