Terugkeer

Toen ik, Tom Poes, met aarzeling,
Wel wetend dat 'k iets raars aanving,
En iets on-katterigs beging 
Een voor een kat onlogisch ding

Toen ik, als kat, een duik dus nam
En vele duikers tegenkwam,
Die koud, en rillerig en klam,
Doch net als ik, van Hollands stam,

In 't water zochten, wat op 't land
Ontbrak, en dat was allerhand :
De vrijheid, thuis en in de krant,
't Geluk, 't geloof en het verstand....

Toen dacht ik zoo terwijl ik zwom,
Temidden van dien duikersdrom:
De menschen blijven toch niet stom,
Eens komt een and're tijd weerom!

"Dat moet je denken" zei er een,
"Dat zul j'ervaren zoo meteen,
Straks vechten ze weer om een been,
En loopt een ander er mee heen !''

Ik lachte maar, omdat ik als kat,
Een zeek're zaak'lijkheid bezat....
Nu moet ik helaas ervaren dat,
Die duikelaar 't zoo mis niet had.

Nu 'k eerst de zenuw-huiver ken,
Of 'k zuiver of onzuiver ben,
En eigenlijk nog met de pen
Mij onder beesten roeren ken,

Nu weet ik eerst wat vrijheid is,
En echte beestenblijheid is,
En zoek thans zonder muizenis,
De muis, waar dan de muis ook is.

uit: Tom Poes en een vermakelijke beestenboel -1945-

naar inhoud Tom Poes - naar index