op je gemak... geschiedenis toilet en wc-papier

op je gemak... zitten


Geschiedenis van de WC

De Romeinen maakten gebruik van een voorloper van de moderne WC. In Pompeï en Herculaneum
zijn privaten gevonden die op een continu spoelend riool waren aangesloten.
Vanaf die tijd ging het echter bergafwaarts met de wc-technologie:
tussen de Romeinse tijd en de negentiende eeuw zijn er nauwelijks verbeteringen aangebracht
in het kleinste kamertje.
Sterker nog: er bestond nauwelijks een klein kamertje.
In de Middeleeuwen deden de edelen hun behoefte in een apart, aan de kasteelmuur bevestigd kamertje.
Hun uitwerpselen belandden in het gunstigste geval in de slotgracht of ravijn.
Hygiënisch was dat in het geheel niet, want vaak werd het slotwater als was- of drinkwater gebruikt.
Hadden de edelen nog een eigen kamertje, de gewone stad- of dorpsbewoner had niets:
hij deed zijn gevoeg in de vrije natuur, boven de mesthoop of op straat.
Of op een emmer die hij ergens op een van deze plekken ledigde.

Renaissance: gemak en kakstoel
Met de komst van de Renaissance, zo rond 1450, vonden de gefortuneerden zo'n aan de buitenkant
van de kasteelmuur bevestigd toilet niet met de architectuur harmoniëren
en werd de 'gemaksstoel' of 'kakstoel' geïntroduceerd.
De gêne was overigens beduidend minder dan nu.
Het kwam vaak voor dat de kakstoel niet in het slaapvertrek stond, maar gewoon deel uitmaakte
van het meubilair in het woonvertrek.
Van Lodewijk de Veertiende is bekend dat hij doorging met het ontvangen van zijn onderdanen
terwijl hij, gezeten op zijn Koninklijke Kakstoel, zijn behoefte deed.

Voor het lagere hofpersoneel waren er latrines, een meerpersoons-poepdoos,
bestaande uit een flinke plank met gaten waarop je gezamenlijk kon zitten
en waar de poep in een goot, gat of sloot viel. Deze latrines waren erg smerig, zelfs voor een tijd
waarin men door een soepeler kijk op hygiëne een beetje stank op de koop toe nam.
Ze waren zelfs zó smerig dat men zich liever in de tuin,
in donkere hoekjes of achter de gordijnen ontlastte.
Dit liep vaak de spuigaten uit. Er bestaan documenten die lakeien, personeel en soldaten
verordonneerden hun gevoeg in de latrines te doen.
De stank van al die uitwerpselen maakte de situatie ten paleize na een paar jaar onhoudbaar.
De hele hofhouding verkaste dan naar een ander, 'proper', paleis.
Hofhoudingen leidden dus door poepoverlast vaak een nomadisch bestaan.
Ook stadsbewoners namen het niet zo nauw met de stoelgang.
Men kon zich schaamteloos tussen twee kantelen van de stadsmuur zetten
en de uitwerpselen buiten de stadsmuren laten vallen.


Zeventiende eeuw: kouwe kak



Omstreeks de tijd van Lodewijk de Veertiende deden de burgers in de steden hun gevoeg in de pot
of op boven beerputten gebouwde kakdozen.
Een kakdoos is een houten kist of bankje met een gat en een beerput is een diepe put met een nauwe opening.

De rijkeren deden het zoals gezegd op de kakstoel; de daaronder bevestigde pot werd door het personeel
in een open riool (vaak een soort sloot of greppel) of beerput geledigd.
Uit die tijd stamt wellicht de scheldnaam 'kouwe kak' voor mensen die zich 'beter' voor wilden doen en pretendeerden
een kakstoel te gebruiken maar in werkelijkheid in de koude buitenlucht, in een klein hokje of onder een afdakje,
hun behoefte moesten doen.
Sommige van die kakdozen hadden trouwens verschillende gaten.
Op het platteland van Scandinavië wordt de eerpersoonspoepdoos heden ten dage trouwens nog steeds gebruikt.



Beerputten veroorzaakten vaak een gezondheidsprobleem:
het met micro-organismen besmette beervocht sijpelde vaak in nabij gelegen waterputten
en kon zo tyfus of beerputkoorts veroorzaken.
Zonder nog precies te weten hoe de besmetting plaatsvond -bacteriën zouden pas in de loop
van de negentiende eeuw als de boosdoeners worden ontdekt- onderkende men dit besmettingsgevaar wel.
Men zag vreemd genoeg de stank als ziekteverwekker.

De moderne WC: van wisselton tot watercloset
Inmiddels was aan het einde van de achttiende eeuw in Engeland de moderne WC uitgevonden.
Deze nieuwigheid won snel aan populariteit en de Britten begonnen op grote schaal riolen en waterleidingen aan te leggen.
Sedert de invoering van dit statussymbool werd men geleidelijk preutser.
Veel mensen bleken prijs te stellen op privacy tijdens het dagelijkse karwei.
In tegenstelling tot de meerpersoonspoepdozen en latrines, zijn meerpersoons-WC's nooit op grote schaal gefabriceerd.
Behalve voor fabrieksarbeiders en militairen.

In Frankrijk won de 'Latrine Anglaise' overigens slechts moeizaam terrein;
men trok liever indrukwekkende openbare gebouwen op dan te investeren in ondergrondse
- dus onzichtbare - riool- en waterleidingnetten.
Ook aan Nederland ging het sanitaire gevolg van de Industriële Revolutie grotendeels voorbij;
hier werd eveneens nog even gewacht met het aanleggen van riolen en waterleidingen.

Uit hygiënisch besef begon men in Nederland en Frankrijk tijdens de negentiende eeuw
wel met het toepassen van het zogenaamde wisseltonnensysteem.
Bij dit systeem deed men zijn behoefte boven een beerton die periodiek werd omgewisseld
voor een leeg exemplaar door zogenaamde beerwagens.
Omdat er geen ondergrondse riolen aangelegd hoefden te worden, was dit systeem
een stuk goedkoper dan de WC.
Door het wisseltonnensysteem werden het besmettingsgevaar
en de stankoverlast aanmerkelijk gereduceerd.
Het betekende een hygiënische verbetering ten opzichte van de beerput,
maar is absoluut niet met een moderne, op de waterleiding en het riool aangesloten WC te vergelijken.
Men deed wel zijn best: gezinnen waarin een besmettelijke ziekte heerste,
kregen bijvoorbeeld een afwijkend gekleurde ton.
De bepaald niet fris geurende beerwagens kregen ironische bijnamen: 'wagen van Boldoot' en 'de 4711.'
In een gedeelte van de Friese steden Leeuwarden en IJlst heeft het wisseltonnensysteem
tot in de tijd van maanreizen en kleurentelevisie geduurd. Pas toen was heel Nederland in staat
met een druk op de knop of een ruk aan de ketting zijn gele en bruine vrienden
aan Moeder Aarde toe te vertrouwen.

Doorstroomtoilet voor hoge nood

Wie gebruikmaakt van het toilet, realiseert zich meestal niet dat onze voorouders het eeuwenlang zónder hebben moeten stellen.
Met alle gevolgen van dien voor de hygiëne. Ziekten zoals dysenterie, cholera en tyfus namen, naarmate de bevolkingsdichtheid
toenam, van tijd tot tijd epidemische vormen aan.

Toen mensen nog geen vaste woon- of verblijfplaats hadden, bestonden er geen toiletten, in wat voor vorm dan ook.
Waar de 'hoge nood' ontstond, werd deze simpelweg ter plekke gelenigd, langs de wegen, in de velden en bossen.
Zo ging het eeuwenlang, enkele hoogontwikkelde culturen uitgezonderd.
Uit archeologische opgravingen blijkt bijvoorbeeld dat op het eiland Kreta al rond 1700 voor Christus
toiletten met stromend water werden gebruikt.
De Kretenser koningen stonden bekend vanwege hun buitengewoon luxe badkamers en waternetwerken
met stromend warm en koud water.

Ook de Romeinen waren hun tijd ver vooruit. Tot in de verste uithoeken van het onmetelijke rijk
legden zij geavanceerde waternetwerken aan.
Voor het gewone volk waren er grote latrines waar water doorheen stroomde om de uitwerpselen af te voeren.
Het water was afkomstig uit stenen tanks of werd aangevoerd via een aquaduct. Ook aan de nazorg werd gedacht.
In een emmer met zout water stond een stok met een spons erop, waarmee de gebruikers zich na gedane zaken konden reinigen.
Na afloop verdween de spons weer in het water, klaar voor de volgende gebruiker.



De welgestelde Romeinen hadden in hun huizen eigen toiletten die bestonden uit een gat in de vloer, zonder zitting.
Een verticale pijp vormde een verbinding met een er onder gelegen zinkput.

Middeleeuwen

Na de ondergang van het Romeinse Rijk was het gedaan met de toiletbeschaving.
Voor het doen van hun behoefte moesten mensen weer hun toevlucht nemen tot het struikgewas.

De ontwikkeling van steden en dorpen maakte het ingewikkelder.
Buitenhuizen en boerderijen werden vaak voorzien van een primitieve plee in de tuin.
Dat was meestal niet veel meer dan een plank met een gat erin en daaronder een bak die van tijd tot tijd geleegd moest worden.
De stank zorgde, vooral in de zomer, voor flink wat vliegenoverlast.

In de dorpen en steden was het nog erger.
De bewoners deden hun behoefte meestal in huis in speciale potten. De inhoud werd simpelweg uit het raam gegooid.



Dat leidde in steden zoals Parijs en Londen tot speciale verordeningen die een eind moesten maken aan deze gewoonte.
Elk huis moest worden voorzien van een plee die met een pijp van aardewerk of ijzer wasaangesloten op een beerput.

Watercloset

Het stankprobleem was daarmee uiteraard niet opgelost.
De ontwikkeling van het eerste watercloset door de Engelsman Sir John Harrington in de zestiende eeuw
vormde een eerste stap vooruit.
Hij maakte het toilet in 1596 voor zijn oma, koningin Elizabeth I. Het bleef bij één exemplaar.

Het duurde bijna tweehonderd jaar voordat de vinding van Harrington in 1775 door de Londense horlogemaker
Alexander Cumming opnieuw werd opgepakt. Hij ontwikkelde de S-vorm, een gebogen pijp waarin het water
blijft staan en die fungeert als stankafsluiter.

Deze vinding was weliswaar een stap vooruit, maar leverde nog geen bijdrage aan een betere hygiëne.
De oplossing kwam drie jaar later, toen de Britse uitvinder en ingenieur Joseph Bramah een toilet ontwikkelde
dat uit twee delen bestond: een pot met een S-pijp en een stortbak die hij voorzag van een vlotter en een scharnierende klep.
Op zijn vinding, die tot op de dag van vandaag wordt gebruikt, kreeg hij patent.

Ruim honderd jaar later, in 1885, ontwierp Thomas Twyford het eerste porseleinen toilet.
De toiletpotten uit eerdere jaren waren van hout of metaal.
Twyford maakte ze ook uit één stuk. De stortbak vormde één geheel met de pot.
Het moderne toilet kan dan ook worden gezien als een gezamenlijke vinding van Bramah en Twyford.

De geschiedenis van het toiletpapier

Aangenomen wordt dat mensen begonnen zich te reinigen met bladeren en takjes. Later werden ze meer vindingrijk
en werden allerlei andere voorwerpen populair.
De leefplek van de mens was daarbij doorslaggevend.
Mensen die bijvoorbeeld in kustgebieden leefden, gebruikten vaak mossels of andere schelpen.
Op Hawaï werden stukken schil van een kokosnoot gebruikt, en aan het hof van Louis XIV werd zelfs zijde gebruikt.
De Romeinen bouwden grote gezamenlijke openbare toiletten.
Er werd nog geen papier gebruikt, maar een soort van spons die op een stok was bevestigd. De rijke Romeinen gebruikten wol
en rozenwater.
Wol werd ook gebruikt door de Vikingen, terwijl in Middeleeuws Europa voornamelijk gras en hooi werden gebruikt.
Eskimo's gebruikten sneeuw en toendra mossen. In China werd al vanaf 1391 grote vellen papier gebruikt door de keizers.
Jaarlijks werden er zo'n 720.000 vellen geproduceerd.

In India, Indonesië en een aantal arabische landen wordt vandaag de dag nog steeds de hand gebruikt.
De linker hand, om precies te zijn. Vandaar dat wij nog steeds een hand geven met rechts.
De linker is immers onrein!

De Islamitische leer schrijft voor dat er geveegd moet worden met stenen of stukken aarde,
daarna gereinigd met water en tenslotte gedroogd met linnen.
De echte fanatiekelingen dragen deze attributen nog altijd bij zich voor het geval dat...
Op het Amerikaanse platteland gebruikte men maiskolven.
In de achttiende eeuw kwam de krant op in Amerika, en van het krantenpapier werd dankbaar gebruik gemaakt.
Er gaat een verhaal de ronde dat een rijke adelijke zijn zoon opdroeg om altijd een goedkoop boekje
met Latijnse gedichten mee moest nemen.
Op deze manier had hij iets te lezen op de pot en ging elke gelezen pagina een nuttig einde tegemoet!

Een andere belangrijke bron van papier was de Sears postorder-catalogus.
Deze catalogus werd gedrukt op onbewerkt papier en werd simpelweg aan een haakje op het toilet gehangen
als bron van gratis toiletpapier. Toen Sears in 1930 overging op glanzend papier, kreeg het bedrijf een regen van klachten, aangezien het nieuwe papier niet zacht was en niet absorbeerde!

In 1857 produceerde de New Yorkse zakenman Joseph Gayetty het eerste verpakte toiletpapier.
Hij noemde het 'terapeutisch papier' en....liet zijn eigen naam op elk vel drukken.
In 1890 begon het Engelse British Perforated Paper Company met haar productie. Het toiletpapier bestond uit losse vellen,
verpakt in een doosje.

De toiletpapier op een rol werd uitgevonden door The Scott Paper Company, in 1890.
In het begin werd het papier ingekocht en door Scott Paper op rollen gezet.
Deze rollen werden verkocht aan kruideniers en levensmiddelenwinkels, onder de merknamen van deze winkels.
In 1902 introduceerde het bedrijf haar eerste eigen merk: Waldorf.
Aanvankelijk was er niet zoveel belangstelling voor het toiletpapier. Bovendien werd er niet makkelijk over gesproken.
Echter, met de opkomst van de riolering binnenshuis groeide de behoefte aan hygiëne
en begon het gebruik van toiletpapier sterker te groeien.

Na Waldorf bracht Scott ook ScotTissues en Sani-tissues op de markt.
Reclameboodschappen suggereerden dat 65% van de Amerikanen van middelbare leeftijd een of andere rectale ziekte had.
Dit werd toegeschreven aan het gebruik van slecht toiletpapier.
Scott benadrukte dat hun toiletpapier aan alle door artsten gestelde eisen voldeed:
absorberend vermogen, zachtheid en chemische zuiverheid.

De zaken gingen goed en in 1925 was The Scott Paper Company de grootste producent van toiletpapier ter wereld.
Later, in 1955, werd het bedrijf overgenomen door Kimberly Clark, nog steeds een grote fabrikant van toiletpapier,
bekend van het merk Page.

Tegenwoordig worden er wereldwijd meer dan 80 miljoen rollen WC-papier per dag geproduceerd.

Het moderne toiletpapier is in 1857 uitgevonden door de Amerikaan Joseph C. Gayetty uit New York.
De productie kent geen bloeiende start, vanwege de slechte acceptatie door zijn landgenoten die liever catalogi
of oud papier blijven gebruiken.
In 1871 krijgt hij patent op zijn 'schone' uitvinding, die ook aambeien moet voorkomen.
De Amerikaan is er overigens niet vies van zijn naam op de papiertjes te laten drukken.
Voor 50 dollarcent krijgen de mensen 500 velletjes 'Gayetty's Medicated Paper'.

In datzelfde jaar begint stadgenoot Seth Wheeler de papiertjes op een rol te wikkelen.
Tien jaar later zijn het de Britten Edward en Clarence Scott die door perfecte marketing
-zij maken gebruik van juiste distributiekanalen en een redelijke prijs- Engeland voorzien van toiletpapier.

Het zachte wc-papier komt in 1930 vanuit Amerika naar onze streken.
Tot die tijd heeft het nieuwe product een decadent imago.
Na de Tweede Wereldoorlog krijgt het toiletpapier bij de Nederlander een vaste plaats op het boodschappenlijstje,
al blijft het tot aan de jaren vijftig een statussymbool.
Een duidelijke trend is ook de steeds groter wordende behoefte aan privacy.
Vooral in de jaren zestig trekken mensen zich langer terug op het kleinste kamertje in het huis.
Ook de hoeveelheid geld die mensen in Nederland besteden aan zacht toiletpapier groeit.
In 1965 gebruikt de doorsnee volwassen Nederlander een rol per twee weken. Inmiddels is dat anderhalve rol per week.



ze gaan er op zitten... of er bij staan

De kakstoel

























De kakstoel

De 17de eeuwse onderzoekingen naar het verband van gezondheid en hygiëne leiden soms tot dwaalsporen
en waanideeën die uiteindelijk wel een gezond resultaat hadden.
Zo werd de stank ( in dichtbevolkte steden was die ondraaglijk) beschouwd als een belangrijke boosdoener
en oorzaak van onbekenden ziekten.
In de meeste steden bestonden slechts open rioleringen of werden grachten en kanalen als afvoer voor uitwerpselen gebruikt.
De huizen die direct aan de grachten lagen hadden aanbouwsels met open gaten, zodat daardoor de uitwerpselen
meteen geloosd konden worden

Op het platte land was het gebruikelijk om apart van het huis een huis of een put te hebben voor de behoeften.
Regelmatig werd zo'n beerput dan met schepemmers geleegd.
Men was zo gewend aan uitwerpselen dat poep voor de bemesting werd gebruikt en dat urine
voor de lakenindustrie werd opgehaald.
Voor de meeste stedelingen en voor de kleinere huizen op het platteland was er alleen een emmer
of een ton om de behoefte op te doen. Zo'n emmer werd afgedekt met een deksel.
In de 17de en 18de eeuw waren ook wel meubeltjes verkrijgbaar die een elegantere poep en plasgang mogelijk maakten.
Verschillenden soorten nachtspiegels en potten waren hiervoor beschikbaar.
Het is aardig om te zien hoe verschilden hogere standen zich met hun hygiënische manier
en dus hun poepattributen probeerden te onderscheiden van boeren en burgers.

De lagere standen bedienden zich van een tinnen po, terwijl de rijkeren in meubeltjes
hun nachtspiegels camoufleerden of fraai versierde po's bezaten.


 

naar index