Ooit gesloopt in Nederland

De enorme sloopwoede begon in de 19e eeuw

en vormde de aanleiding voor een zorgvuldiger behandeling van het gebouwde erfgoed.
Niet dat men onmiddellijk met de afbraak stopte maar het besef groeide dat conservering en restauratie
een positieve uitwerking konden hebben op de sfeer van de gebouwde omgeving.

Het was jonk-heer Victor de Stuers die de knuppel in het bijna afgebroken hoenderhok wierp.
In zijn artikel 'Holland op zijn smalst' dat in 1873 in De Gids werd gepubliceerd voer hij fel uit
tegen de verantwoordelijken voor die massale afbraak en hij doelde daarmee vooral op de Staat.
Die had volgens hem als eerste de taak over de omgeving te waken.
Zijn opsomming van 'daden van vandalisme', zoals hij het afbraakproces omschreef,
was zo verpletterend dat al een jaar later een commissie werd benoemd die zich bezig ging houden
met het restaureren van monumenten.

Het was het begin van de monumentenzorg zoals we die nu kennen.
De Stuers' appèl liet de mensen zien wat al verdwenen was en spoorde aan om voorzichtiger om te springen
met de omgeving, maar of hij daarmee een collectief verantwoordelijkheidsgevoel
voor de ons omringende gebouwen schiep mag betwijfeld worden.
De werkelijke oorzaken van afbraak bleven na meer dan honderd jaar nog net zo actueel als hij het formuleerde:
'vernieling, verwaarlozing en onverschilligheid.'
Natuurlijk heeft de monumentenwetgeving gezorgd voor de instandhouding van vele gebouwen,
die het zonder bescherming zeker hadden moeten afleggen.
Of het geleid heeft tot een grotere aandacht voor onze omgeving is de vraag.

de Cineac in Amsterdam wordt stelselmatig verminkt


De Cineac nog in de staat zoals het in 1934 door architect Duiker werd ontworpen.
Inmiddels zijn de typerende lichtreclames op het dak en tegen de gevel verwijderd en heeft de frivole,
losstaande kassa plaats moeten maken voor een 'eigentijds'kaartjeshok.

Een van de fraaiste voorbeelden van een architectuurstroming die Nederland in de jaren dertig
het centrum van het Nieuwe Bouwen maakte. Je hoeft er geen kenner voor te zijn om te zien
hoe knap dit gebouw gemaakt is en met zo weinig middelen.
Een optimistisch gezicht tussen de vele doorsneegevels in de binnenstad.
Was het maar in één keer uit zijn tijden verlost, in één keer afgebroken om plaats te maken
voor een makkelijker te onderhouden en beter renderend zaaltje.
Dan had het zich tenminste in onze herinnering kunnen nestelen in de vorm zoals het gebouwd was.
Maar het ging beetje bij beetje.
De kassa gesloopt, de lichtreclame, die een wezenlijk onderdeel vormde van het gebouw, eraf.
De voorgevel opgezadeld met een weerzinwekkende neonbak.
Je moest wel blind zijn om niet te zien wat er aan de hand was, maar niemand zag het.
Niemand hoorde de patiënt kermen, de marteling kon gewoon doorgaan.
En het is niet het enige voorbeeld van aanpassing, die in wezen een soort langzame sloop is.

Op uiterst kortzichtige wijze worden panden aangepast aan de nieuwe tijd zonder dat enig respect
getoond wordt voor hun architectonische waarde.
Magazijn Winter, nog zo'n voorbeeld uit dezelfde periode als Cineac en van dezelfde architect Duiker,
op de hoek van de Vijzelstraat en de Weteringschans in Amsterdam.
De fragiele glazen gevel die het forse gebouw licht en transparant maakte werd in de jaren zeventig
vervangen door sandwichpanelen waardoor het gebouw veranderde in een stereotiepe anonieme kantoorklont.
Is het dan nodig dat eerst een groep kunsthistorici, architecten en andere cultuurdragers bij ieder gebouw
een verklaring aflegt om ten slotte het wit-blauwe monumentschildje naast de deur te bevestigen
dat de geest van 'vernieling, verwaarlozing en onverschilligheid' definitief bezweert. Blijkbaar wel.

Net zo min als het lukt om met schoonheidscommissies de lelijkheid uit de wereld te bannen
lukt het met gevestigde instituten als Monumentenzorg, Heemschut of de Nederlandse Oudheidkundige Bond
om sloop tegen te gaan en, wat nog belangrijker is, het gemeenschappelijke bewustzijn
voor de gebouwde omgeving te vergroten. De functie van een gebouw rechtvaardigt het bestaan ervan.
Als gebouwen hun functie verliezen, als ze te klein zijn of op een andere manier niet meer voldoen aan de eisen,
dan rijst de vraag of ze kunnen blijven. Geen hond haalt het in zijn hoofd een Rembrandt te verscheuren
als er een Mondriaan voor in de plaats moet komen. Gebouwen overkomt het dagelijks.

De originele bewegwijzering op de vloer in de zaal is niet meer in het interieur terug te vinden.


'De Grote Wetering'

Muurschildering op het legendarische kraakpand
'De Grote Wetering'aan de Weteringschans in Amsterdam.
Het schaakspel van de willekeur met de woningen in de stad.

 

Winderige vlaktes

De sloop van de Galerij aan het Frederiksplein in Amsterdam.
Vooral de bouw van de Nederlandsche Bank op de opengevallen plaats veranderde het plein
van een sfeervolle ontmoetingsplaats tot een winderige koude vlakte.

De waardering voor vooral negentiende-eeuwse kerken, stations, kloosters en fabrieken berust op hetzelfde uitgangspunt.
Ze zijn niet gebouwd naar het eenzijdige model van rationele overwegingen, maar volgens een bepaald ideëel
architectonisch concept.
Indien bij het maken van nieuwbouw dezelfde criteria gebruikt zouden worden als die waaraan
wij historische gebouwen toetsen, dan zou de angst voor wat er wordt neergezet
als er is gesloopt heel wat minder gegrond zijn.
De functionele waardering wint het echter nog steeds van de emotionele en daarom worden mooie oude gebouwen
vervangen door lelijke nieuwe. Pas als de aandacht voor het nog te bouwen monument, de nieuwbouw,
net zo groot is als voor het bestaande kan er gesproken worden van waardering voor wie omgeving.
Sociale en economische veranderingen drukken hun stempel op het gezicht van de stad.
Zeventiende-eeuwse verdedigingssingels werden, nadat ze in de vorige eeuw nutteloos waren geworden,
omgebouwd tot parken en in onze tijd gedempt om er verkeerswegen van te maken.
Het uiterlijk van de Amersfoortse en Delftse stadsrand onderging zo in de jaren zestig een metamorfose.
De honderden rooms-katholieke kerken die in de vorige eeuw werden gebouwd kwamen leeg te staan
en werden voor het merendeel afgebroken. Gasfabrieken verdwenen, parkeergarages kwamen ervoor in de plaats.
Oude havenbekkens werden woonwijken.
Het spoor van de tijd is in een stad afleesbaar aan onherkenbare restanten en merkwaardig lopende rooilijnen.

Sloop is onlosmakelijk verbonden met de ontwikkeling van een stad.
De aanleg van de metro In Amsterdam was een tragisch voorbeeld hoezeer
tegengestelde belangen in een stad kunnen escaleren.
Hele wijken moesten worden gesloopt om het afzinken van de betonnen metrocaissons mogelijk te maken.
Sloop betekende hier geen appèl op het esthetisch besef, maar een directe aanval op de eigen woning.

Het slopen van vele panden op en langs het Waterlooplein voor metro, wegverkeer.
En later de bouw van de Stopera stuitte in de jaren zestig en zeventig op fel verzet van de bevolking.
Jarenlang zag de buurt eruit alsof er een bombardement was uitgevoerd..

Met Amsterdamse trefzekerheid werd op de achterzijde van een verkiezingsbord
de machteloosheid van de bewoners uitgedrukt.

De grens van wat een stad nog accepteert als het om veranderingen gaat was toen duidelijk bereikt.
Wat de een ziet als een inbreuk op zijn woonomgeving, ziet de ander als vooruitgang.
Wat de speculant ziet als een interessant object, ziet de kraker als woning.
Zo verschillend als men oordeelt over de architectonische waarde van de omgeving,
zo verschillend denkt men over de gebruikswaarde.

Onverschilligheid mag dan een belangrijke belager zijn van onze gebouwde omgeving,
het geldelijk gewin, dat zich aandient als 'economisch belang' of 'vooruitgang' is zeker zo gevaarlijk.
Vooral omdat het laatste vaak berust op een tijdelijk verschijnsel.
In bijna iedere Nederlandse stad is wel een doorbraak door een gevelwand aan te wijzen
waar een belangrijke verkeersroute doorheen had gemoeten, die bij nader inzien niet nodig bleek.
In de uitvoering blijkt het economisch belang van een project dikwijls achterhaald,
de sloop is dan wel achter de rug en wat rest is een braakliggend terrein.
De kortzichtigheid bedient zich vaak snel van de sloophamer.
Er staan in Nederland nogal wat waardevolle gebouwen op de nominatie om gesloopt te worden.
In Rotterdam moet het gehele zogenaamde 'Witte dorp' van architect Oud tegen de vlakte,
sanatorium 'Zonnestraal' van architect Duiker in Hilversum heeft ook zijn beste tijd gehad
en zo is er nog wel een lijst samen te stellen met vele tientallen voorbeelden.
Het zou wellicht nog draaglijk zijn als er een lijst van dezelfde lengte samen te stellen zou zijn van unieke,
nog te bouwen bouwwerken. Maar zolang de geschiedenis eerder aanleiding geeft om op middelmatigheid
te rekenen dan op iets bijzonders is het verstandig datgene wat er nog aan kwaliteit in onze omgeving is te koesteren.

De sloop van de Willibrorduskerk buiten de Veste in Amsterdam in 1971.
Deze kerk was één van de zes grote rooms-katholieke kerken van architect Cuypers in de hoofdstad
en één van de vele tientallen R.K. kerken die in de jaren zeventig door de sloophamer zouden vallen.

 

Rond de eeuwwisseling vestigt zich aan de Smalle Haven in de binnenstad van Den Bosch
de bescheiden koffie- en cacaobranderij van de Gruyter.

Het succes van het bedrijf is al snel zo groot dat tussen de beide wereldoorlogen vele malen moet worden uitgebreid.
In 1939 beslaat het complex, het gehele bouwblok tussen de Orthenstraat en de Smalle Haven.
Productiehallen, magazijnen en kantoren zijn dicht tegen elkaar aan gebouwd
en vormen een massief front naar de kleinschalige liggende bebouwing.

Als De Gruyter in de jaren vijftig weer moet uitbreiden,
wordt het steeds moeilijker aansluitende percelen te verwerven.
Ook het bestemmingsplan geeft niet meer de ruimte om de zaken zo grootschalig
als voor de oorlog aan te pakken. Stankoverlast en verkeershinder stellen de fabriek
in de drukker wordende binnenstad aan het begin van de jaren zestig voor grote problemen.

In overleg met de gemeente besluit De Gruyter in 1968 de fabriek uit de binnenstad te verhuizen.
Nog voor de besprekingen hierover rond zijn, wordt de firma in 1977 geliquideerd
en neemt de gemeente gebouwen en grond over.
Vanwege het aantrekkelijke uiterlijk van de fabriek - vooral de fraai gelede gevel aan de Orthenstraat
wordt gewaardeerd en het gebruik van de opvallende gele baksteen
- overweegt men een andere bestemming aan het complex te geven om de gebouwen te behouden.
Verbouwing tot winkels en wooneenheden levert echter te veel constructieve problemen op en wordt als te duur afgewezen.
In 1976 besluit men het gehele complex af te breken.

 

Vele tientallen ex-werknemers volgen maandenlang met lede ogen
de sloop van het Bossche industriële bolwerk.
Na een prijsvraag wordt In 1983 begonnen met de bouw van woningen op het vrijgekomen terrein.

 

Hergebruik is de afgelopen jaren steeds meer

in de belangstelling gekomen door het grote aanbod van opvallende gebouwen waar nog wel 'iets mee viel te doen'.
Fabrieken, stations, kazernes en kerken uit de vorige eeuw die zijn afgedankt staan meestal
in aantrekkelijke woongebieden vlak bij het centrum.
De degelijke bouw en vooral de forse afmetingen maken ze geschikt voor vele nieuwe functies.
Zwembaden, markthallen, squashbanen, fitnesscentra, maar ook woningen en kleine bedrijfjes
kunnen er zonder problemen in worden ondergebracht. Het resultaat is vaak een spannende confrontatie
van functie en vorm die niets met elkaar hebben te maken maar die uitstekend blijken samen te gaan.
Korinthische kapitelen worden bankjes in een gang, gotische ramen worden balkons,
waterreservoirs worden meditatiekamers.
In bijna iedere Nederlandse stad zijn wel voorbeelden te vinden van gebouwen die een nieuwe bestemming kregen.
De Juliana van Stolbergkazerne in Amersfoort werd een aantrekkelijk wooncomplex,
de watertoren in Rotterdam werd omgebouwd tot woongebouw,
in de textielfabriek Jannink in Enschede kwamen ook wooneenheden evenals in het Claraklooster in Den Bosch.
Om gebouwen opnieuw te kunnen gebruiken moeten ze wel aan één voorwaarde voldoen.
Buiten het feit dat ze aantrekkelijk genoeg dienen te zijn om de inspanning van een herinrichting te rechtvaardigen,
moeten ze voldoende potentie bezitten om een nieuwe functie te kunnen herbergen
zonder dat er aan die functie te veel concessies gedaan hoeven te worden.

Sloop en verwoesting gaan elke dag door. Het lijkt wel of het bedrag dat we jaarlijks beschikbaar stellen
om incidenteel monumenten te conserveren de afkoopsom is om gebouwen die het predikaat 'monument'
niet gehaald hebben onbeperkt te mogen mishandelen.
Het 'beschermde stadsgezicht', net 'monument', het zijn kwalificaties die een garantie bieden om te overleven,
maar het zijn geen aanduidingen van een algemene aandacht voor onze omgeving.

Schoonheid of sfeer
zijn in onze tijd bij nieuwbouw ondergeschikt aan de eisen waaraan het gebouw moet voldoen
wil het optimaal functioneren. Zolang men niet bereid is een evenredige inspanning,
en daarbij een evenredig bedrag, te willen besteden zowel aan schoonheid als aan bijvoorbeeld
warmte-isolatie, is het logisch dat men oude gebouwen wenst te behouden om hun sfeer.
De angst voor wat ervoor in de plaats komt is terecht omdat sfeer niet het uitgangspunt voor nieuwbouw is.

Er wordt wat afgehuild
bij het slopen van gebouwen...

Het is ook zo absoluut en meedogenloos. Kerken, fabrieken, woonwijken en stations,
die op zo'n vanzelfsprekende wijze deel uitmaakten van de omgeving waar je elke dag doorheen fietst,
zijn plotseling verdwenen. Een open vlakte is het enige wat er is overgebleven.
Een tochthoek die als contravorm het beeld van wat er gestaan heeft nadrukkelijker dan ooit oproept.


De Koninginnekerk in Rotterdam.
Als laatste restanten worden op 20 januari 1972
De beide 50 meter hoge torens opgeblazen.


Als we op plaatsen terugkomen, die we in jaren niet hebben bezocht en er blijkt een markant gebouw
te zijn verdwenen, dan is het of er is ingebroken in onze herinnering.
Of we na een lange reis terugkomen in een kamer die we voor onszelf dachten te hebben,
maar waarin iemand verwoestend heeft huisgehouden.
Plotseling moeten we aan onze herinnering het bestaan van dat gebouw toevoegen.
Wat was dat voor een gebouw, hoe zag het eruit.
'Het treurigste gevoel dat ik ken,' schreef Rudy Kousbroek
'is de weg te weten in een gebouw dat niet meer bestaat'.

Gesloopte gebouwen die je goed hebt gekend roepen sterkere emoties op dan gebouwen die je elke dag kunt bekijken en aanraken. Die zijn niet meer dan een deel van de totale omgeving. Groot omdat de rest eromheen klein is en saai omdat de omliggende bebouwing vrolijk is. Pas als gebouwen afgebroken zijn beginnen ze als afzonderlijk object vorm te krijgen. Het klinkt paradoxaal, maar we zien gebouwen pas als ze verdwenen zijn. We worden gedwongen ze weer uit onze herinnering op te bouwen. Steen voor steen, omdat het totale beeld te vaag is. We schrapen de verschillende details bij elkaar en componeren opnieuw het gebouw. En helderder dan ooit zien we het verrijzen, zo moet het eruit hebben gezien, maar zo heeft het er nooit gestaan. Vraag tien mensen een gebouw dat ze goed hebben gekend te tekenen en je krijgt tien verschillende tekeningen. Gebouwen worden in onze herinnering vervormd tot driedimensionale gevoelens en daarom vinden we ze als ze zijn gesloopt altijd aantrekkelijker. Van de dode niets dan goeds. De geschiedenis verbouwt net verdwenen stadsbeeld tot een paradijs waar liet goed toeven moet zijn geweest. Een omgeving waar je jezelf zinderend van geluk in kunt projecteren.

Sloop van de Koepelkerk in Amsterdam Hoewel de architectuur van de Koepelkerk zwaar was bekritiseerd kon het ervoor in de plaats gekomen Marriott Hotel op geen enkele manier een verbetering genoemd worden.

uitkijktoren Blijdorp

De uitkijktoren van Diergaarde Blijdorp vormde het hoogtepunt aan het uiteinde van de symmetrie-as
waarlangs architect Van Ravesteyn in 1938 de dierentuin had ontworpen.

De toren was uitgevoerd in gewapend beton en had een ingenieuze dubbele trap,
Eén voor opstijgende en de andere voor dalende bezoekers.
De toren werd in de jaren zeventig afgebroken, waardoor de dierentuin één van zijn aardigste attracties verloor.


De Utrecht

Wie een bezoek brengt aan het Muziekcentrum in Utrecht
zal aan de buitengevel twee beelden aantreffen die van andere gebouwen afkomstig zijn.
De engel bij de entree werd in 1901 gemaakt door H. Scholtz voor
het hoofdkantoor van de verzekeringsmaatschappij 'De Utrecht'.

De kariatide aan de noordgevel maakte Mendes da Costa in 1909 voor het archief-gebouw van dezelfde maatschappij.
Beide beelden houden de herinnering levend aan twee schitterende stijlvoorbeelden van architectuur die in 1974 werden gesloopt om de plannen voor Hoog Catharijne mogelijk te maken.

Het hoofdkantoor van de Utrecht gold als een van de fraaiste voorbeelden van Nederlandse Art-Nouveau-architectuur.
Het was in 1901 naar de plannen van de Rotterdamse architect
J. Verheul (1860-1948) gebouwd aan de Leidseweg.
Het gebouw was geheel naar de opvattingen van de Art Nouveau voorzien van een uitbundige decoratie. De poorthekken en de balustrades van trappen en balkon toonden sierlijk ijzersmeedwerk met typerende verlopende krullen. De steen in de gevel en de vensteromlijstingen was rijk bewerkt en er was overvloedig gestileerd beeldhouwwerk op het dak en bij het entreeportaal.



De vele details in het interieur lieten zien hoezeer fantasie en ambachtelijke vaardigheid in deze stijl samengingen,
'De Utrecht' had na 1890 een nogal onstuimige groei gekend en wilde met dit gebouw een hoofdkantoor dat beantwoordde aan de nieuwe status. De vestigingsplaats vlak bij het Centraal Station in Utrecht was voor veel bedrijven die het belang van een goede bereikbaarheid inzagen zeer interessant.

De architectuur van Verheul paste geheel in het beeld dat men van een modern en chique kantoorgebouw had.
De in België ontwikkelde Art Nouveau gold in het Nederland van rond de eeuwwisseling als zeer mondain en werd veel toegepast in gebouwen die allure moesten uitstralen zoals hotels In badplaatsen en deftige winkels.

twee moralistische wandschilderingen uit het
Jugendstil-interieur van het in 1974 gesloopte
hoofdkantoor ven verzekeringsmaatschappij 'De Utrecht' in Utrecht


De brug bij Culemborg

De aanleg van spoorwegen liep in Nederland halverwege de vorige eeuw ver achter op de ontwikkelingen elders in Europa. De belangrijkste oorzaak hiervan was de belemmering die men ondervond bij het overbruggen van de vele waterwegen.Alleen al voor de lijn Amsterdam-Rotterdam waren 98 bruggen nodig geweest. Een ambitieus plan van de regering voorzag in 1860 In een aanzienlijke uitbreiding van het spoorwegnet die mede door de introductie van de vakwerkbrug ten uitvoer kon worden gebracht. Na de gietijzeren en houten bruggen die slechts kleine overspan-ningen mogelijk maakten, was de vakwerkbrug van het nieuwe en sterkere weleer een revolutionaire ontwikkeling. De nieuwe spoorlijnen konden hiermee nu ook de grote rivieren kruisen en binnen 25 jaar worden 18 grote bruggen, waaronder de Moerdijkbrug, in gebruik genomen. Een technisch meesterwerk was de brug over de Lek bij Culemborg, Met een vrije overspanning over het zomerbed van de rivier van 150 meter en eer totale lengte van 629 meter was het een constructie die zijn weerga in Europa niet kende.



De bouw ervan riep aanvankelijk nogal wat verzet op.
Men vreesde dat de grote pijlers het ijs in de winter zouden opstuwen zodat de dijken vernield werden.
Om dit te voorkomen moesten de openingen tussen de pijlers zo groot mogelijk worden.
In 1862 werd met de bouw begonnen en zes jaar later, nadat de eerste aannemer failliet was gegaan,
zeven werklieden te pletter waren gevallen en 764.901 klinknagels waren geslagen, kon de brug in gebruik worden genomen. Duizenden nieuwsgierigen bezochten dagelijks dit staaltje van technisch vernuft
en de Culemborgse Courant van 16 augustus 1868 meldde trots:
'... het is voor onze Hollandse ingenieurs een streelende voldoening,
dat de Kuilenburgsche brug algemeen wordt erkend als het stoutste kunstwerk
dat tot heden volgens dit systeem is ontworpen en uitgevoerd'.

Hoe geavanceerd het ontwerp was, blijkt uit het feit dat de brug in 114 jaar maar weinig wijzigingen hoefde te ondergaan.
Een vervanging van de oude Bessemer stalen vloerdelen voor sterkere van Thomasstaal
maakt de brug in 1914 weer geschikt voor zwaardere sneltreinlocomotieven
en in 1936 kan de brug eenvoudig aangepast worden aan de elektrificatie van de spoorlijnen.
Hoewel beschadigd bij een geallieerde luchtaanval in 1944, waardoor een hulpconstructie moet worden aangelegd,
overleeft de brug de oorlog wonderwel en dient zelfs even, door de bouw van een tijdelijk wegdek, als wegverkeersbrug.
In 1973 blijkt dat de brug niet meer aan te passen is naar de nieuwe gewichtsnorm van de NS.
In 1982 worden de hoofdoverspanning en het daarop aansluitende brugdeel vervangen
door een stalen brug en twee betonbruggen.
Een jaar later worden ook de andere uiterwaard-bruggen vervangen.
Van de brug die meer dan een eeuw met zijn kloeke uiterlijk zo goed harmonieerde
met de weidsheid van het rivierenlandschap, testen nu nog slechts de pijlers.

 

Windmolens en industriegebouwen in de Zaanstreek

Door de goede bereikbaarheid over water en de ligging vlak bij de grote havenstad Amsterdam
was de Zaanstreek van oudsher een gebied van handel en nijverheid.
De vele windmolens getuigden van de verschillende takken van industrie langs de Zaan.
Oliemolens, pelmolens, houtzaag-molens en papiermolens;
van de 9000 windmolens die Nederland in de vorige eeuw nog rijk was stonden er zo'n 600 in de Zaanstreek.

Totdat men halverwege de vorige eeuw overging op stoomkracht en
de windmolens snel verdwenen

In 1898 waren het er nog 176 maar door sloop (vooral in W.O. II) en brand resteerden er in 1950 nog slechts 15.
Door toedoen van de in 1925 opgerichte vereniging de Zaanse Schans bleef dit restant gespaard en is nu nog in bedrijf te zien.

Als de rijst- en gortpellerij in de vorige eeuw een grote vlucht neemt worden de molens vervangen
door grote fabriekshallen met opslagloodsen. In korte tijd krijgt het gebied langs de Zaan een totaal ander aanzien.
In plaats van draaiende wieken nu grote gemetselde fabriekscomplexen waar dikke rook uit opstijgt.
Massieve pakhuizen en fabrieken worden zij aan zij zo dicht mogelijk bij de Zaan gebouwd
om makkelijk bevoorraad te kunnen worden vanuit de schepen.
In de gemeente Wormer ontstaat langs de Veerdijk een ononderbroken, vele honderden meters lange fabrlekswand
die bekendheid krijgt als de Zaanwand.
De pakhuizen dragen exotische namen die de herkomst van de grondstoffen weergeven:
Bassein, Rouan, Java, Siam, Saigon, Batavia, Indië.
Rond de eeuwwisseling vormen de olie- en meelfabrieken, maar vooral de rijstpellerijen
de belangrijkste bedrijfstak in de Zaanstreek waar duizenden mensen in werkzaam zijn.

Rijstpellerij HollandiaConcurrentie uit het buitenland doet de nijverheid in de jaren vijftig snel teruglopen
en vele fabrieken en pakhuizen komen leeg te staan.
Meer dan 600 molens bepaalden tot halverwege de 19e eeuw het gezicht van de Zaanstreek

naar index