Ons Vrije Nederland
uitgave juni 1945 - januari 1946

Ons Vrije Nederland
- juni 1945



  Vrijdagavond 4 Mei.

Menschen komen op straat, roepen hun buren gesticuleerend toe:
,,Hebt U het gehoord ?
De Duitschers in Holland hebben gecapituleerd!"

Het bericht, voor het eerst om 8.45 in de Noorsche uitzending
van den Londenschen nieuwsdienst gegeven,
gaat van mond tot mond.
Ergens waait nu een vlag, ergens buigt iemand de knien
en stamelt een-:
"O God! Ik dank U ..."



Zaterdagochtend 1 uur.

Dr. Eyckhof van de ,,Deutsche Zeitung"
gaat in z'n eentje oorlog voeren.
Ze gaan een extra-editie maken:
"Keine Kapituliation in Holland!"
"Feindmeldungen sind falsch!"
De loopers moeten de kranten op straat gaan verkoopen
- ze mogen de opbrengst houden.
(Misschien stimuleert dat den verkoop).

 

 

 

Zaterdagochtend 5.30.

Een der "poilus inconnus" van dezen oorlog
- inspecteur Looman van "de Telegraaf" -
betreedt het gebouw aan den Voorburgwal in Amsterdam.
Hij vraagt, hoe groot de oplage is. Het antwoord komt.
"O", zegt inspecteur Looman,
onbewust met Leonhard Huizinga,
"die oplaag is verkocht".
Looman legt de vereischte som gelds op tafel,
neemt de oplage mee naar z'n kamer,
sluit die weg in z'n bureau en
verlaat om 5.45 fluitend het krantengebouw.

De ploertige opzet van Dr. Eyckhof is mislukt.
De vlaggen waaien over den Voorburgwal.

 

 

Vergeet ze niet.

Vergeet ze niet die voor de vrijheid vielen
Hun leven schonken voor ons dierbaar Vaderland;
Zij weigerden voor Baal neer te knielen
En hielden - ondanks dreiging '- dapper stand!

Het deed hun niets of ook de duitscher raasde
De toorts der vrijheid hielden zij omklemd.
Het wild getier van rassen-leer verdwaasden,
 Heeft nooit het lied der hope overstemd.

Want achter al het leed, door talloozen geleden
Stond Hij die stierf-gekroond met doornen - aan een kruis.
Hij heeft den zwaarsten strijd voor allen reeds gestreden,
En brengt wie dit gelooven, veilig thuis.

Vergeten doen wij niet, de Nederlandsche zonen
Die vielen voor ons land - wie weet hoeveel per dag?
God kwam hun werk uiteindelijk bekronen
Want door hun dood, herleefde nze Vlag!

Karel van den Berg


Ergens in Nederland...

In een groot gebouw in Den Haag, waar de Duitschers zich menigmaal het hoofd hebben gebroken over
de mogelijke verblijfplaats van geheime organisaties, zetelde de Centrale Inlichtingendienst,
die over verschillende geheime telefooncentrales in het land beschikte.
Zelfs kon men zich van een uitgebreid telex-net bedienen.
De foto toont het telex-apparaat en de telefoon-centrale, waarmede men van Den Haag uit rechtstreeksche verbindingen
onderhield met Rotterdam, Delft, Utrecht, Amsterdam en Leiden.
Het personeel heeft om dit gevaarlijk maar prachtig werk te kunnen verrichten, maandenlang opgesloten gezeten.

Ergens in Nederland hadden enkele ondernemende jongelui in een transformatorhuisje een geheime zendinstallatie
aangebracht, door middel waarvan men voor Engeland vaak belangrijke mededeelingen uitzond.

 

Als de bevrijding een feit geworden is....

Denkt U liever aan de smartelijke wonden, die in ons lieve Vaderland geslagen zijn,
aan de vele duizenden dierbare levens, die verloren gingen,
aan de onmenschelijke vervolgingen en ondragelijke geestelijke en lichamelijke folteringen,
waaraan vele duizenden hebben bloot gestaan,
aan de honger en ellende en ziekten, waarmede zoo vele goede vaderlanders te kampen hebben gehad,
aan onze vrienden en verwanten, die in Indi nog onverminderd onder het juk van de onderdrukking gebukt gaan,
aan de vele landgenooten, die nog in Duitschland verblijven en omtrent wier lot
wij individueel nog in het onzekere verkeeren.

Ontroerd wendt onze blik zich naar het fiere rood, wit en blauw,
dat zich thans weer in vrijheid heeft kunnen ontplooien,
de volle klanken van ons prachtig Volkslied weerklinken alom.

Dan buigen wij het hoofd, terwijl uit het diepst van het hart ons dankgebed opwelt
naar den Hemel voor Gods grenzenlooze goedheid en wij verzekeren Hem,
dat wij Zijn boodschap begrepen hebben en dat wij daarnaar leven zullen.
Nu en altijd. Zoo God ons daarbij helpen wil.

S.


Pierement

De eerste explosies van geluk en vredesvreugde liggen achter ons en er was veel, ontstellend veel gerucht
en lawijt in onze goede hoofdstad, sedert den dag waarop de bevriende legers het stadsbeeld stoffeerden.

Deze bijkans hysterische luidruchtigheid nu de stalknechten van de Macht hun biezen hebben gepakt,
was, zooal onwelluidend, toch ook erg begrijpelijk, want we zijn zoo lang stil geweest,
Daar klonk ook muziek in de straten, muziek van fanfarecorpsen - still going strong, blijkbaar -,
van gramofoons, van luidsprekers, van heel particuliere strijkers en blazers en trekpianisten
en het was muziek dat ons Amsterdammers aan het hart klopte, want wij houden nu eenmaal van sentiment,
dat tranen opwekt. In feite zijn wij Amsterdammers sentimenteel, vandaar wellicht onze klassieke verslaafdheid aan de opera.

Er werd in de jongste dagen na de bevrijding historie geschreven in Reims en in Londen, in Praag en in Amsterdam -
wij hebben er niet bij stil gestaan, want wij hadden het te druk met te beseffen wat het beteekent:
Een vrij volk te zijn.
De erkenning van dat besef vond een uitweg, die den ban van jarenlange obligate stilte wel breken moest.
Vandaar Amsterdams luidruchtigheid.
Maar daar was op onzen Dam en op het Rokin, op het Spui en op den Singel zoo maar plotseling en onverwacht
ook een ietwat klaag'lijk en ontroerend geluidje, dat hier en daar een traan deed blinken in het verbaasde oog:
het geluid van het Pierement, het eerlijke, onvervalschte en al zoo langen tijd ondergedoken Amsterdamsche draaiorgel,
dat daar eensklaps den weg teruggevonden had in de straten van Vondel en Rembrandt.

Waarachtig, het stond er weer, ons Pierement met zijn mallotigen, maatslaanden kapelmeester, die nog op een belletje tikte ook.
Het Pierement speelde - het werd een poging tot het Wilhelmus en het was er dan ook naar, een tikje asthmatisch
en knarsend en schurend en zoo.
Maar het klopte op dat oogenblik aan ons hart en aan ons muzikaal en nationaal geweten,
mr dan een uitvoering van het volledige orkest van het Gebouw zou hebben gedaan, omdat het ns Pierement was.
Ik zei U toch, we zijn een beetje sentimenteel in de hoofdstad....

GERARD v. d. AMSTEL.

nu de as gebroken is

mogen we cultuur weer met een c schrijven;
heet een hoofdopsteller weer hoofdredacteur;
heet vorderen weer stelen;
worden keukenpieten weer echte mannen;
gaat de portemonnaie weer de rol spelen,
die door de linnenkast was overgenomen;
is de schoenmaker niet langer slager en de
schillenboer niet langer kruidenier;
hoe je het niet langer ver maar wel diep te zoeken
(radiotoestellen, koperwerk etcetera);
Maar bovenal gaan we bedenken,
dat we hier nu weer een overheid hebben,
die in alles en nauwgezet gehoorzaamd dient te worden!

 

Amsterdamse film

"Hallo, have you a cigaret?" vroeg de Canadees op de Pijpenmarkt, die een beetje raar keek,
vanwege de Waarheid, het Vrije Volk, de onverveerdheid van het Parool, de Trouw en andere zaken
die met de revolutie van doen hadden.
No antwoordde ik.
"No smoker?"
"No, but rather ashamed..."
"Ik heb trouwens zelf k geen sigaretten meer" meende de vriendelijke bevrijder, "maar iedereen begroet mij met
"Have you a cigaret"
en dus meende ik, dat dit bij jullie het gebruikelijke "Hou zee" of "Heil-je-weet-wel" had vervangen.
Een aardig volk zijn jullie overigens. Nice girls, vrij onverveerd. De grootmoeders zijn het ergste.
Drie dagen na de bevrijding zat mijn wang onder de roode striemen, alsof ik uit een van Heinrich's folterkamers was gekomen -- allemaal lippenstift en kissproof wat je noemt.
What's all the trouble about here?"
'De Waarheid...'
"Maken jullie daar zoo'n drukte over?"
"Neen, maar je ziet, dat de Waarheid in het Handelsblad is gekomen.."
"Een mensch is nooit te oud om zich te beteren.
En wat beteekent "Het Parool" op het gebouw van De Telegraaf?"
"Die is op de wieken der bevrijding de glazen draaideuren binnen gegaan en vervolgens naar buiten gekomen
met de mededeeling dat Gerbrandy, Trip en nog enkele zaken zoo spoedig mogelijk moeten verdwijnen. .."
Nice old Cherry-brandy ? Well, ik dacht dat dat jullie grand old man was.
Halen jullie de boel al uit elkander voor dat je goed weet hoe de zaken in elkander zitten?
Een heeleboel menschen zouden gedacht hebben, dat jullie den eersten tijd nou eris rustig de bevrijding hadden genoten,
om een beetje aan te sterken en zoo, terwijl de Blue-bands orde op de zaken stelden en alle gevaarlijke elementen knipten.
Ik zie, dat jullie eerste theater weer open gaat met een stuk over Nederlands bevrijding, "meer dan honderd medewerkenden".
Daar hebben jullie de Canadeezen dan niet bijgeteld. .."
"Het is een stuk, waaraan vijf beroemde auteurs geschreven hebben. ."
"That's the spirit! Dat is een bewijs, dat ze elkander het succes gunnen.
En als het valt kan ieder bij zichzelf denken dal het de schuld is van de anderen.
En schieten jullie al op met de zuivering?"
"Waarom zouden we ons haasten? We hebben nu vrede en je kunt geen beteren tijd uitdenken om elkander rustig
op het rad te leggen. Wanneer je met een Mof gedineerd hebt, deug je niet, tenzij je kunt aanwijzen,
dat je illegaal bij wijze van spreken boete hebt gedaan door een anderen Mof te vergiftigen.."
"Nice people. Have a cigaret, all the same.."

De Geallieerde Militairen en onze Meisjes...

Het is een eigenaardige, maar ook zeer begrijpelijke omstandigheid, dat, nu de bevrijding van ons Vaderland,
waarnaar wij zoovele jaren en met steeds stijgend verlangen hebben gehunkerd, een feit geworden is
en een nieuwe toekomst voor ons volk aanlicht, de gedachten van ontelbaar velen teruggaan naar de Meidagen van 1940,
toen wij door een overmachtigen vijand werden overweldigd en wij aan het begin stonden van een nameloos
en toen slechts gedeeltelijk vermoed lijden.
Wij zeggen tot elkaar:
"Hoe was het ook weer, nu precies vijf jaren geleden?" en wij maken vergelijkingen tusschen "toen" en "nu".
Welk een verschil tusschen het binnentrekken van de zelfbewuste en overmoedige Duitsche overweldigers
en de tot een uitbundig feest geworden ontvangst van die joviale en eenvoudige jongens in hun khaki uniformen
en met hun flatteuze en zwierige baretten op het hoofd! Is het te verwonderen, dat zij zonder slag of stoot
de harten veroverden van jong en oud en dat zij zich met name terstond mochten verheugen in de onverbloemde sympathie
en belangstelling van de jonge meisjes?

Er zijn in de eerste dagen van de bevrijding tooneeltjes te zien gegeven, geboren uit blijdschap om de zoo lang
verbijde bevrijding en uit dankbaarheid jegens hen, die deze bevrijding ver van huis en haard
en ten koste van zulke smartelijke verliezen bevochten.
Wij zagen jonge Diaconessen hossend en den zingend met de Tommies door de straten trekken;
een Tommy op een motorfiets werd door een aantal meisjes eenvoudig gedwongen te stoppen,
zij namen hem in hun midden en wij hebben hem de omhelzingen niet misgund.

Welke Nurks zou zich in die dagen van uitbundige feestvreugde aan dergelijke spontane uitingen van blijdschap hebben gergerd? Maar er was meer!
Vrouwen en meisjes, die in de afgeloopen jaren omgang met Duitschers hadden gehad, werden uit hun huizen gehaald
of op straat gegrepen en hun hoofden kaal geknipt.
Geen weldenkend mensch zal het betreuren, dat de autoriteiten aan deze handelingen een halt hebben toegeroepen,
hoe begrijpelijk zij als uitingen van verontwaardiging ook mogen zijn geweest.
Want wel is er nu weer een toekomst, die alle vlijt, energie en werkkracht gaat opeischen, maar wij mogen niet vergeten
hetgeen geweest is en het is niet overdreven van een gebrek aan werkelijkheidszin te spreken, wanneer wij niet
van tijd tot tijd een blik in het verleden zouden slaan.
Moeten wij ons niet onze verontwaardiging herinneren, toen, nadat in 1940 de Duitschers nog maar nauwelijks
ons land waren binnengetrokken en ons volk in een waarlijk nationale rouw gedompeld was, sommige meisjes
zich niet ontzagen zich af te geven met hen, die wij terecht beschouwden als de belagers van onze heiligste
en kostbaarste bezittingen: onze vrije meeningsuiting, ons rechtsgevoel, onze vrijheid?

Dat zagen wij, en dat mochten wij zien, als een blaam op een gedeelte van onze vrouwelijke jeugd,
die haar eer te grabbelen gooide en haar aanspraken op het respect van landgenooten en vreemden verspeelde.
Nogmaals: hoe anders was het nu, in 1945, toen de harten vol waren van vreugdevolle gevoelens, die om een uitweg vroegen.
Maar de tijd gaat verder, de eerste feestroes is voorbij, wij keeren naar onzen arbeid terug en, als het goed is,
gaan wij de dingen weer bezien, terwijl zij worden beschenen door het licht van onzen nuchteren en critischen geest.
En dan moet het ons van het hart, dat er op het terrein van den omgang tusschen onze meisjes en de Geallieerde militairen
- want het is nu wel duidelijk, dat wij het daarover willen hebben - reden is tot ernstige bezorgdheid.
Laten wij de dingen maar bij hun naam noemen:
voor een groot deel van onze vrouwelijke jeugd schijnt het hek van den dam te zijn.

Buiten beschouwing blijven de gevallen - zooals er gelukkig ook vele zijn - dat meisjes, en dit temeer als zij
geen verbintenissen hebben, omgang zoeken met Geallieerde militairen, omdat zij het prettig vinden
in hun taal met hen te spreken, van gedachten te wisselen en hen met goedvinden van hun ouders thuis uitnoodigen.
Dat is al te begrijpelijk en er is niets tegen.

Maar wl ernstig en tot ongerustheid reden gevend is het, wanneer meisjes - en onder hen zijn er ontelbaren,
die zich er angstvallig voor hebben gewacht zich met Duitsche soldaten in te laten en die zelfs hun
Nederlandsche vriendenkring altijd met zorg hebben gekozen, reeds enkele dagen na het binnentrekken der Geallieerden
innig ineengestrengeld met deze menschen over de straat loopen, sigaretten rookend als volleerde courtisanes.

En er gebeuren reeds erger dingen.
De alarmeerende berichten, die ons uit de Zuidelijke provincies bereikten, leggen daarvan een ondubbelzinnig getuigenis af.

Het is niet noodig hier verder op in te gaan of in details te treden; een ieder weet waar het om gaat en het stemt tot voldoening,
dat men met name van kerkelijke zijde reeds zijn geluid in deze heeft doen hooren.
Wij van onzen kant willen op deze plaats een beroep doen op de goedwillendheid en het gezonde verstand
van onze meisjes en vooral hun ouders aansporen dit probleem niet te licht in te zien en ervoor te waken,
dat de omgang van hun kinderen met de buitenlandsche militairen sportief en open blijft en geen persoonlijk
en gesepareerd karakter gaat dragen.
Het gaat hier om een stuk volksgezondheid, physiek, geestelijk en moreel.
Er kan nog veel onheil voorkomen worden. Men zij gewaarschuwd!

P.KIEVIT

  Een zee van ellende wachtte ons volk
toen in de Meidagen van 1940
de Duitsche legers onze grenzen forceerden.
  Onze dappere soldaten - maanden tevoren reeds in groote spanning bijeen in kazernes en kampen, omdat de dreiging voelbaar was -
zagen zich plotseling tegenover een geweldig heir geplaatst.
Zij streden tot het uiterste.
Daarna opende zich de nazi-hel en menig vaderlander werd door dit vuur verteerd.
Maar groot was het geloof van ons volk in de overwinning
welke eenmaal op deze machten der duisternis zou worden behaald.
Het stond sterk, en duizenden riepen Gods Naam aan
zooals eens in de dagen der Babylonische ballingschap.
Zoo ooit, dan zeker in deze jaren, gevoelden velen de kracht
van het oude psalmwoord: "Maar de Heer zal uitkomst geven".
 

 

Mei 1945:
die uitkomst is gegeven, de overheerscher moest het veld ruimen en ons volk werd bevrijd.
Een danktoon stijgt op en ons volk maakt zich op voor een nieuwe toekomst.

Wij pakken aan!
Nederland is herrezen!

 

 

bovenstaande uit: Ons Vrije Nederland juni 1945


naar index

jenneken