De luie Teddiebeer

 
   
   
Een Teddiebeer, een luie strop,
Die lette nooit bij 't lezen op.
Hij zei: "dat nare A B C,
Wat doe 'k er mee!"

Eens op een keer nam hij zijn hoed
En trok naar buiten toen met spoed,
Zijn schooltasch schopte hij vér weg ..
Zoo'n bengel, zeg !

In 't bosch, waar 't stil en donker was,
Kwam Reddie bij een groote plas.
"Ha" riep hij blij, "daar spring ik in,
Dat 's naar mijn zin !"
Maar, o, met letters groot en vet
Was op een bord daar neergezet:
"Gevaarlijk is voor mensch en dier
Het baden hier !"
Want in den vijver koel en klaar
Krioelde een woeste kreeftenschaar,
Met tangen vreeslijk en geducht,
Vlucht, Teddie, vlucht !
Het beertje, dat niet lezen kon,
Sprong, zonder dat het zich bezon,
Floep, midden in het heldre nat;
Wat fijn, zoo'n bad !
De pret zou Reddie gauw vergaan,
De kreeften vielen op hem aan,
En pakten hem bij neus en kop ...
Die arme strop !
"O, laat me los, je doet me zeer !"
Riep Teddie; woest ging hij te keer,
En brulde: "Help, ik ben in nood,
Zoo ga ik dood !"
Toen kwam een poedel aangesneld,
Die hem bevrijdde met geweld...
Daarna brecht 't goede dier hem vlug
Naar huis terug.

Daar stond beschaamd en druipend nat
Vriend Teddie; en hoe vind je dat ?
Zijn kameraadjes lachten luid
Den vluchtling uit.

Zijn vader nam hem bij zijn kraag,
En gaf hem een geducht pak slaag.
"Nooit, nooit", riep onze luie beer,
"Doe 'k zooiets weer !"

Hij, die niet goed lezen kan,
Die is en blijft een domme man,
En 't kan hem als den Teddie gaan ...
Denk toch eens aan !

 


naar index