|

In Nederland werd in 1930 voor het eerst dierendag gehouden.
66 Jaar eerder, in 1864 was in Den Haag de Haagsche Vereeniging tot Bescherming
van Dieren opgericht in navolging van al bestaande verenigingen elders
Europa en als eerste van een reeks plaatselijke verenigingen in Nederland.
In 1877 werd haar naam veranderd in Landelijke Vereeniging en onder die
naam sloten de meeste lokale vereningen zich aaneen.
De belangrijkste doelstellingen van de Ver(e)eniging (afgekort: de Dierenbescherming)
waren en zijn nog steeds de tot standkoming van de wetgeving voor dieren
en de controle op de naleving van dierenwetten.
Na de eerste Wereldoorlog begon zij ook voorlichting te geven via brochures,
folders, film, krant, radio en televisie.
Dierendag werd vanaf 1930 de belangrijkste dag in het jaar voor het houden
van voorlichtingcampagnes.
Dierendag
is door de internationale verenigingen van dierenbescherming ingesteld
als wereld-themadag om het publiek bewust te maken van het idee dat dieren
rechten hebben en beschermd moeten worden.
Het verschijnsel themadag of dag in het teken van een bepaald idee bestond
in 1929 nog relatief kort.
Het was een nieuw middel om te wijzen op de ondergeschikte positie van
bepaalde groepen en op veronachtzaamde vraagstukken in de samenleving.
Dierendag sloot als betrekkelijke nieuweling in de reeks aan bij (inter)
nationale dagen als de dag van de arbeid (1890) vrouwendag (1910) moederdag
(ca. 1914) en boomplantdag (1919) .
In
de nu meer dan zeventigjarige geschiedenis van dierendag is in de loop
der tijd veel veranderd.
In Nederland werd deze dag in 1930 in de Nieuwe Rotterdamsche Courant
begroet met een beschouwend artikel over de houding van de mens tegenover
de dieren. Het artikel eindigde met een citaat (uit ca. 1900) van de theoloog
en predikant P.H. Hugenholtz jr als motto voor deze eerste dierendag:
''t Is een schande voor onze zoo-genaamd-Christelijke beschaving,
dat er nog vereenigingingen tot bescherming van dieren nodig zijn".
Ook andere kranten plaatsten in de beginperiode van dierendag bespiegelende
stukken over mensen en dieren en over het werk
van de Dierenbescherming. Op 4 oktober 1939 bijvoorbeeld wijdde
de Provinciale Drentsche en Asser Courant een artikel aan dierenmishandeling
en aan de maatregelen van de dierenbescherming daartegen, waaronder het
uitroepen van dierendag.
Zowel
de manier waarop dierendag gevierd wordt als de berichtgeving daarover
in de media zijn sindsdien sterk veranderd.
Steeds meer groeperingen zijn zich zelfstandig of in samenwerking met
de Dierenbescherming met de organisatie gaan bezighouden.
Dierendag heeft zich vooral sinds de jaren 1960 ontwikkeld van een campagnedag
van de Dierenbescherming naar een dag van kleine evenementen. Vooral in
de lokale media wordt aan de activiteitenprogramma's aandacht besteed.
Beschouwingen over dieren naar aanleiding van dierendag verschijnen nauwelijks
meer in de pers.
De groepen die men op dierendag wil bereiken, zijn niet veranderd.
Van meet af aan zijn kinderen de belangrijkste groep waartoe men zich
richt om hen een gevoel voor dieren en de natuur bij te brengen.
Van
oudsher ook speelt de school overal in het land een primaire rol bij de
organisatie van activiteiten.
Leerlingen van basisscholen doen bijvoorbeeld mee aan teken- en verkleedwedstrijden,
bouwen vogel-nestkastjes of bezoeken kinderboerderijen. Nieuw sinds de
jaren 1970 is dat de leerlingen hun huisdieren mee naar school brengen
en dat er prijzen worden uitgereikt voor de beste verzorging.
Naast
de school is ook de kerk altijd betrokken geweest.
De organisatie door de kerk van activiteiten met dieren is echter recent.
In Roermond bijvoorbeeld, waar dierendag Alderbeestedag wordt genoemd,
wordt sinds de jaren 1960 jaarlijks een optocht van kinderen met hun huisdieren
gehouden die eindigt in een dierenparade voor de kapelaan.
Een dierenzegening op dierendag door de pastoor vindt sinds 1993 plaats
op het kerkplein in Uden.
De laatste tijd worden huisdieren, van kinderen en van volwassenen, ook
wel in de kerk gezegend.
In het jaar 2000 was dat bijvoorbeeld het geval in Rooms-Katholieke kerken
in Leidschendam en in Den Haag.
Van Protestantse zijde organiseerde de Stichting Kerk en Dier in dat jaar
in Harderwijk ter gelegenheid van dierendag een lezing over de bioindustrie.
Verder zijn de laatste decennia ook allerlei gemeentelijke instellingen
en verenigingen (zoals buurt-, jongeren- en welzijnscentra, dieren-verenigingen
en kinderboerderijen) jaarlijks actief betrokken bij dierendag, vaak met
de organisatie van huisdierenkeuringen waaraan ook veel dierenartsen hun
medewerking verlenen.
De
Dierenbescherming zelf is met al haar afdelingen en zusterinstellingen
(als dierenambulance, dierenasiels, Stichting Lekker Dier enz.) in de
week van dierendag het meest actief.
In 1972 werd voor het eerst een open asieldag gehouden in Zutphen.
Sinds enkele jaren houden alle bij de dierenbescherming aangesloten asiels
jaarlijks open huis om het publiek kennis te laten maken met hun werk
en in de hoop nieuwe bazen voor de asieldieren te vinden.
Op die dagen voert de Dierenbescherming steeds intensief campagne met
voorlichting, ledenwerfacties en financiële acties.
Tenslotte
is de inbreng van de commercie op dierendag steeds belangrijker geworden.
De commerciële bijdragen aan dierendag zijn vaak het meest origineel.
Zo worden er door restaurants openbare maaltijden georganiseerd voor dieren
en taarten aangeboden aan olifanten of apen in dierentuinen. Winkelverenigingen
organiseren in winkelcentra tijdelijke kinderboerderijen.
De Commissie ter Promotie van het Nederlandse Boek (CPNB) vestigde in
2000 de aandacht op de kinderboekweek (met het thema dier) door middel
van allerlei acties met dieren (huisdierkeuringen, gratis dierenartsspreekuur,
minikinderboerderijen) in bibliotheken.
Een VVV bood in 2000 rond 4 oktober een toeristisch dieren-arrangement
aan op Ameland en een hondenvoerfabrikant opende in dat jaar op dierendag
in het Vondelpark in Amsterdam een hondensnackautomaat.
Ook sommige media doen mee aan dierendag. Zo zendt de AVRO dit jaar op
4 oktober de Nationale dierenquiz uit.
Anno 2001 heeft dierendag zich ontwikkeld tot een evenementendag met kleinschalige
activiteiten op verspreid lokaal niveau vooral voor kinderen georganiseerd,
maar met een vermenging van veel verschillende belangen.
|
|
|
De
hondenkar goed of fout?
Dierenbeschermers
houden zich al ruim 150 jaar actief bezig met de rechten van het dier.
Aan het einde van de negentiende eeuw liepen ze onder meer te hoop tegen
het dragen van veren van paradijsvogels, het uithalen van vogelnestjes
door de jeugd en het ondraaglijke leed van karrenhonden.
Sommigen vonden dat de dierenbeschermers te ver gingen en tekenden spotprenten
waarin koeien in koetsen zaten, voortgetrokken door mensen. De dierenbeschermers
boekten soms een klein succesje.
De Trekhondenwet van 1910 schreef eigenaren van trekhonden nauwkeurig
voor hoe ze hun dieren moesten behandelen.
Er kwamen instructies voor hondenkareigenaren. Honden die tijdens het
trekken onder de kar liepen in plaats van er voor, moesten voldoende ruimte
hebben om te liggen en te staan. Tijdens regenbuien mochten de trekhonden
niet nat worden.
De kar diende voldoende beschutting te bieden tegen de nattigheid. Of
de eigenaar nat mocht worden, staat niet in de instructie vermeld. Eveneens
laat de instructie ons in het ongewisse over het eventueel samen schuilen
onder de kar.
Een onzekere juridische situatie voor de eigenaar. De hondenkar verdween
dan ook uit het straatbeeld.
Deze
prent werd gemaakt ergens op de Noordendijk, omstreeks 1910.
En wie straattaferelen van vlak na de eeuwwisseling bekijkt ziet altijd
wel ergens een hondekar.
Blijkbaar was dit vervoermiddel voor de gewone man erg geliefd.
Maar hoe zat het precies met die honden en tot hoe lang werden ze als
trekdier gebruikt?

Honden
zijn eeuwenlang gebruikt als trekdier.
Paarden waren voor de kleine middenstander veel te duur.
Een hond was klein, at niet zo veel en een eenvoudig hok was als slaapplaats
voldoende.
Regels om de beesten een leefbaar bestaan te garanderen waren er niet;
tot 1910 waren ze in feite vogelvrij.
Maar op 14 juli 1910 werd een eerste, nationale, wet van kracht, houdende
bepalingen ter bescherming van trekhonden.
Eerlijk gezegd was niet het leed van de hond de hoofdzaak, maar het ongemak
van de berijder.
Er werd al langer gesproken om de hond als trekkracht geheel te verbieden,
en in sommige steden was dat al het geval.
Er was dus de merkwaardige situatie ontstaan dat een trekhond in de ene
gemeente niet was toegestaan en in de andere wel.
Een trekhondenbezitter kon soms niet van de ene naar de andere stad rijden,
omdat in een tussenliggende gemeente trekhonden verboden waren.
Een landelijk verbod zat er nog niet in: de trekhond kon in dichtbebouwde
gebieden niet worden gemist; ook niet uit het oogpunt van veiligheid,
want als iedereen paarden zou gebruiken, zou er binnen de kortste keren
een chaos in een stad ontstaan. Er kwam dus een uniforme, landelijke regeling,
waarbij trekhonden alleen verboden werden als de verkeersveiligheid in
gevaar werd gebracht.
En dat zal anno 1910 wel meegevallen zijn.



Eisen
Er
kwamen redelijk strenge eisen. Er moest een vergunning aangevraagd worden.
En de karretjes kregen, net als de huidige auto's, een soort kentekenbewijs.
Aan de voerman werden ook eisen gesteld. De minimum leeftijd om een hondekar
te besturen was 14 jaar en als iemand binnen een jaar twee maal werd veroordeeld
wegens overtreding van de wet dan verloor hij zijn vergunning.
En dat met een proeftijd van twee jaar. Niet alle honden waren wettelijk
geschikt om een kar trekken.
Ze mochten niet zo groot zijn dat niet onder de kar konden staan en er
mochten hooguit drie voor de kar of hooguit twee eronder. Kreupele en
schurftige dieren werden uitgesloten, evenals gewonde, zichtbaar drachtige
of zogende en nog niet volwassen dieren. Kleine honden hoefden ook niet
onder de kar. De minimale schouderhoogte was 60 cm.
Verder moest het beest een borstriem dragen van zacht leer, de kar moest
bij stilstand rusten op twee steunen om de te voorkomen dat het dier de
hele dag met de kar op zijn rug moest staan.
Een drinkbak was verplicht.
Op de kar moest de naam van de houder, van de gemeente en het nummer van
de kar goed leesbaar staan.
Er mochten niet meer dan twee personen op de kar en die mocht niet zo
zwaar beladen zijn dat een bovenmatige inspanning werd vereist. Er was
zelfs een snelheidslimiet; niet sneller dan een paard in draf.

De
hondenmarkt
Wat de hondenmarkt betreft, daar heerschte altijd een levendiger discussie
tusschen handelaars en kandidaat-koopers dan op andere afdeelingen van
de markt. Je hoorde er de meest krachtige betoogen, om te bewijzen, dat
een hond van een jaar of negen nog geen twee jaar oud was, en ze gaven
je er altijd duizend maal liever je geld terug,
dan dat ze je, wat het doopceel van een hond aangaat, ook maar in 't minst
zouden misleiden.
Je had er anders heel wat voorgoed bedorven exemplaren onder - onder die
gewezen waakhonden, trekhonden en door mishandeling valsch gemaakte dieren.
"Meneer, ik weet, hoe die bestaat!" was een steevaste hondenkoopmansuitdrukking,
als je het soms waagde twijfel te opperen aan de goede kwaliteiten van
een aangeprezen hond.
Het
volgende overkwam eens een kennis van me, die nogal veel markthonden kocht.
Hij had met een hondenkoopman geconditionneerd, dat hij een hond, die
hem wel aanstond, maar aan welks "karakter" hij twijfelde, een
paar dagen op zicht zou houden.
Thuisgekomen had hij den nieuwen huisgenoot zoo lang aan een tafelpoot
vastgelegd.
Het scheen echter wel, of het dier dol geworden was, want, nauwelijks
had m'n kennis die onschuldige handeling verricht, of het viervoetige
monster liet een oorverdoovend geblaf hooren en nam alle allures aan van
een tijger.
In een mum van tijd was het beest losgebroken, doch de tegenwoordigheid
van geest en de vlugheid van z'n nieuwen proef-eigenaar stelden dezen
in staat, nog juist bijtijds de kamerdeur achter zich dicht te slaan en
aldus aan een wissen ondergang te ontkomen.
De
man, die vurig verlangde z'n kamer weer te betreden, om te zien, wat er
van z'n gordijnen, z'n tafelkleed en z'n buffetlooper terecht was gekomen,
meende in de gegeven omstandigheden niet beter te kunnen doen, dan den
hondenkoopman er bij te halen, die toch in alle geval van dien hond wist
"hoe die bestond". Maar nauwelijks had de, anders voor geen
kleintje vervaarde, koopman voorzichtig den neus om een hoekje van de
deur gestoken, of hij deinsde ontzet achteruit: zoo'n duivel van een beest
had hij van z'n leven nog niet gezien!
Hoe ze dien hond tenslotte dood of levend eruit gekregen hebben, heb ik
nooit mogen vernemen.
De
hondenmarkt werd - wat niet-ingewijden misschien niet zullen vermoed hebben
- bezocht door menschen, die van verre gekomen waren: boeren uit Brabant
bijvoorbeeld, en zelfs kwam er iemand een tijd lang met een autootje uit
Antwerpen, met een collectie kleine hondjes.
De voornamere handel werd echter voor een belangrijk deel, in plaats van
op de markt, in nabijgelegen cafés gedreven, waar de meer handelbare
vlervoeters soms aan biljartpooten lagen vastgebonden.
Het was niet onaardig, daar het typisch "vaktaaltje" aan te
hooren, dat tusschen kooper en verkooper gebruikt werd.
Iemand, die een "spotkoopje" gehaald had, kreeg van de wederpartij,
die den hond, "om zoo te zeggen, cadeau had gegeven", te hooren:
,'t Is dat ik om cente verlegen zit en 'm beslist van de hand mot doen,
maar as jij 't nog effies kan uitzinge, nou dan krijg je de volle mep!"
(den vollen prijs ervoor, als je hem weer verkoopt).
Vereniging
Nederland
zou Nederland niet zijn als er geen verenigingen werden opgericht die
zich met de trekhond bemoeiden.
De Bond tot Bescherming van den Trekhond bijvoorbeeld gaf advies welke
honderassen geschikt waren.
Voor stapvoets werk waren de volgende honden geschikt: Mastiff, Rothweiler,
St-Bernard, New Foundlander, Chiens de Brie
en de Russische Herdershond. Voor snelvervoer de Duitse Doggen, Duitse
staande honden en Dobermann Pinchers.
Maar in principe was volgens de bond elke hond geschikt voor het zware
werk, mits ze van middelbare grootte, goed gebouwd, d.i. met rechten,
sterken rug, breede borst, een flink stel pooten en harde voetzolen.
Doel van de bond was een hond tegen misbruik beschermen, hem te beveiligen
tegen eene verkeerde, ondoelmatige, ondeskundige, harde, ruwe en soms
wreede behandeling , maar de trekhond moest volgens de bond wel blijven.
Lijnrecht tegenover de bond stonden de Nederlandse Vereeniging tot Bescherming
van Dieren, de Federatie van Vereenigingen inzake het gebruik van den
hond als trekdier in Nederland, de Anti-Trekhondenbond
en de Vereeniging tegen Trekhondenmisbruik, om nog maar te zwijgen van
allerlei andere, plaatselijke clubjes die het voor de honden opnamen.
De trekhond moest niet beschermd worden, maar volledig verboden.
Overtredingen
met de hondenkar
Om zo'n hondenkar te mogen rijden moest men aan een aantal wettelijke
verplichtingen voldoen.
Men had onder meer een vergunning nodig ingevolge de ¨Trekhondenwet van
1910¨ afgegeven door de gemeente.
Deze wet zorgde ervoor dat de trekhonden het iets beter kregen. De veldwachter
was belast met het toezicht en met een houten schoftmeter controleerde
hij of de aangespannen honden wel groot en sterk genoeg waren om hun last
te trekken.
Enkele
van deze meetinstrumenten zijn nog bewaard gebleven. Deze zijn onder andere
te vinden in enkele musea of bij particulieren en bij bepaalde verzamelaars
van deze bijzondere voorwerpen.
Zo blijkt uit gemeentearchieven dat er voor de begeleiders van hondenkarren
vanaf 1911 een vergunning ingevolge de ¨Trekhondenwet¨ werd afgegeven.
Het is gelukt om een afschrift van een keuringsrapport te verkrijgen van
een langharige bouvier.
Het dier liep onder de kar en Adrianus van Dirven was hiervan de eigenaar.
Hij was de toenmalige directeur van de zuivelfabriek in Baarle-Nassau.
Nadat het keuringsrapport was afgegeven, en hond en kar in orde werden
bevonden, werd er ook een puntenlijst afgegeven dat de eigenaar recht
gaf om een vergunning te verkrijgen ingevolge de Trekhondenwet.
vervoer
in Dordrecht
Na de inwerkingtreding van de eerste wet in 1910, moesten ook de Dordtse
trekhondeneigenaars zich melden.
In vijf maanden tijds werden 295 vergunningen verstrekt en eind 1919 was
dat al opgelopen tot 516.
De eerste werd gegeven aan Joost van de Weg, die aan de Voorstraat woonde.
Verder staan in het register, dat nog steeds in het Gemeentearchief aanwezig
is, veel bakkerijen.
De Coöperatieve Broodbakkerij De Vooruitgang uit de Varkenmarkt bijvoorbeeld
bezorgde de eerste jaren met behulp van acht hondekarren, maar ook de
Dordtsche Melkinrichting (D.M.I.) uit het Kromhout was met 6 stuks een
grote gebruiker van trekhonden. Zelfs de Dordrechtsche Werk-liedenvereeniging
'Vooruitgang door Beschaving', gebruikte honden. In het register staan
ook de overtredingen die begaan zijn. Dat moest wel, want in de wet stond
dat iemand die twee keer een veroordeling achter de rug had, geen vergunning
meer kreeg.
Zo raakte een zekere Pieter Johannes Aernout zijn hond in 1913 kwijt.
Blijkbaar reed hij vaak met zijn kar naar Rotterdam, want hij werd daar
twee keer binnen één jaar beboet.
Ook de pakhuisknecht Anthonius Johannes de Jong verzorgde zijn hond slecht.
Hij werd evenals Willem van Dalen veroordeeld omdat hij geen drinkbak
voor zijn hond bij zich had.
Vruchten
Het werk van de dierenbescherming ging langzaam maar zeker vruchten af
te werpen.
14 Februari 1928 werd in Dordt de laatste vergunning afgegeven aan J.G.H.
van der Stigchel.
Maar de oude vergunningen bleven van kracht. In 1931 waren er 122 trekhonden
in de stad, in 1937 nog slechts 52.
In 1942 had de bakkerij De Vooruitgang, inmiddels verhuisd naar de Christiaan
de Wetstraat, nog 33 honden 'in dienst'.
Maar na 16 juni 1954 was het verboden om een hond als trekdier te gebruiken.
In Dordrecht waren alle hondekarren toen al vervangen door elektrische
wagentjes, die toepasselijk ijzeren honden genoemd werden.
vervoer
in Rotterdam
Nederland
was een van de weinige landen waar de hond nog als trekdier werd gebruikt.
In Parijs verdween de hondekar in 1824 uit het straatbeeld, in Engeland
in 1854 en in Amsterdam zelfs al in de 18de eeuw.
In Rotterdam, Dordrecht en andere Nederlandse steden waren ze nog wel
achterlijk.
Rotterdam was zelfs de grootste trekhondenstad ter wereld, met meer dan
6000 honden.
Vooral minister mr. J.B. Kan moest het in brieven en pamfletten van de
'afschaffers' ontgelden:
'omdat U de macht ontbreekt Uw voorschriften, die algemeen gesaboteerd
worden, te doen handhaven.
Nu hielden de voerlieden zich inderdaad niet aan de voorschriften. Ladingen
van meer dan 500 kg waren geen uitzondering.
De twee verenigingen bestookten elkaar met argumenten, vooral toen in
1919 de wettelijke eisen werden verzwaard.
Moesten 100.000 bezitlozen, die geen paard en wagen konden kopen, de dupe
worden van 4000 hondenliefhebbers?
En bovendien voorzag de trekhondenbond dat veel honden, die niet aan de
wettelijke eisen voldeden, losgelaten zouden worden en een treurig zwervend
bestaan zouden gaan leiden.
Met dat laatste waren de afschaffers het wel roerend eens. In mei 1920
schreef de vereniging ook aan de Dordtse burgemeester of hij wilde voorkomen
dat de dieren die een te geringe hoogte hebben en dus niet meer gebruikt
mogen worden, aan hun lot overgelaten zullen worden, om na veel ellende
aan hun eind te komen.
De eigenaars die afstand wensten te doen, konden hun hond gratis bij het
hoofdbureau van politie inleveren.
De vereniging was bereid de afgekeurde honden in te nemen, zoo noodig
zal als dan ten spoedigste voor pijnlooze afmaking
zorg gedragen worden.
Spreekwoorden
met Breughel
klik
hier
en klik daar verder op de afbeelding...
Dieren
in de kunst
  
  
  
|
|