Van een ondeugend Jongetje



Er was eens een jongetje Dodidelomdoet,
Die bloempjes ging planten op zijns vaders hoed.

Hij goot in een kom een heel groote plas
En deed, of de hoed een kamerplant was.
En luid zong de deugniet: Valderie, valderom
En danste wel driemaal van pret om de kom.


Ja, zoo'n plezier had onze Dodidelomdoet,
Dat hij hop, heisa trapte op dien prachtigen hoed,
Dat 't water spatte, als een fontein wel zoo hoog,
Het been van den bengel bleef natuurlijk niet droog.


Maar op eens, wat een schrik, kwam zijn vader er aan,
Nu was het met 't zingen en 't dansen gedaan.
''k Zal jou wel leeren van valderom, valderie.
Jou deugniet,' riep vader,
'k leg je over mijn knie!"
En moeder, die kermde: "Hoe vreeslijk,. o wee !
Je hoed, lieve man is bijna in twee.
Kijk, 't water stroomt er met geweld onder uit! "
Klein Mopje zei niets, die dacht: Ik hou mijn snuit

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index

© jenneken