Een vroolijk aardig muisje
Keek oolijk uit haar huisje,
Ze speurde met haar oogjes rond
Of ze ook iets te snoepen vond.

Toen liep ze trippel tripje
De gang door in een wipje,
Maar zag, o schrik, een zwarte kat,
Die stil naar haar te loeren zat.

Toen met haar zwarte staartje
Rechtop -sprong ze in een vaartje
Op 't houten been van Griet, 't is heusch,
Wat keek toen poesje op haar neus.

 'Miauw,' deed poes, 'zeg muisje,
Liep jij soms naar je huisje?'
Boos trok Moor pop de haren uit,
De muis had pret en riep : 'Sliep uit!'

Daar lag het arme popje,
Geen haar meer op haar kopje,
Gerukt door poes geheel uiteen,
De armen hier en daar een been.

Hoor toch de poes eens brommen
En zie haar rug eens krommen;
Want 't kleine muisje trippeltree,
Blééf haar de baas en riep: 'hoezee!'


naar inhoud gelukkige uurtjes naar index