Zie de lucht er eens uitzien, we krijgen stellig sneeuw, heeft Bets gisteren avond geroepen.
Hoera, eindelijk zal het dan toch eens winter worden. Bets had al gemopperd den vorigen dag,
dat het zoo'n saaie winter was, zoo zonder sneeuw en ijs. Wat heb je daar nu aan ?
Werd het toch maar eens echt koud, zoodat je 't heerlijk vond, om uit school bij de warme kachel te kruipen.
Een open haard met een flink vuur staat zoo knus. Maar voor zoo'n echt gezellig vuur is het nog geen enkelen dag koud genoeg geweest. Een winter met sneeuw en ijs is pas heerlijk!
Maar Emmy vindt 't wat prettig, dat het niet zoo koud is. Brr, 's avonds uit de warme kamer naar je koude slaapkamer, daar moet zij niets van hebben en dan 's morgens bij ’t aankleeden!
Maar de jongens, Gerrit, Jan en Dirk verlangen evenals Betsy naar den winter: En nu is 't vannacht werkelijk gaan sneeuwen. Prachtige, dikke vlokken zijn er gevallen.
't Eerste, wat Bets den volgenden morgen doet, als ze opstaat, is naar het raam loopen. O neen maar, kijk toch eens naar de boomen, wat zijn ze prachtig wit en de schutting van den tuin. Toe, Emmy, kom eens kijken.
Em steekt even haar neus boven de dekens: brr, dank je, hoor, en meteen kruipt ze er weer onder.

Wat heeft Bets dien morgen met nog andere jongens en meisjes een plezier op weg naar school.
Pats, eerst krijgt ze hier een bal; dan daar een. Brr, 't koude water druipt haar in den nek, maar ze geeft ze flink terug.
Het geheele troepje komt bijna te laat op school Koude voeten, dat Bets op school dien morgen heeft, maar dat is niets, die heeft ze er voor over, om twaalf uur zal ze Gerrit dien dikken bal eens lekker teruggeven.
En Emmy moet er ook een hebben.
Laten we ons in twee partijen verdeelen, zegt Willem, een jongen uit een andere klasse.
 
   

Ja, hoeral roept Dirk. Wie drie ballen van den vijand krijgt, mag niet meer meedoen.
Ho, ho, ho, roept Willem, dat is niet eerlijk, nu hebben jullie 't allemaal tegen mij. Hij buigt gauw voorover.
Stil, ik zal je helpen, zegt Jaap, ik zal die jongens wel klein krijgen. Pats, pats. Waar zijn d andere meisjes toch ?
Ik denk, dat ze daar huis zijn gegaan, omdat ze bang zijn een sneeuwbal te krijgen of ingezeept te worden.
Hoe flauw. 0, kijk eens, daar onder de poort komen Net en Emmy aan.
Hier, Bert, een flinke bezending ballen, laten we eens goed mikken.
Net en Emmy gieren van pret en angst te gelijk en weten niet, hoe ze gauw genoeg weg zullen komen.
Zeg, Bets, roept Dora, als Bets met gloeiende wangen van 't heerlijke spelen thuiskomt.
Weet je, wat we van middag gaan doen? Een sneeuwpop in den tuin maken.
Leuk! Ik heb zoo'n plezier gehad. Je had Em eens moeten zien hollen, toen wij haar en Net met sneeuwballen gooiden!
Herman heeft beloofd ons voor de sneeuwpop te helpen, zegt Door.
En Emmy helpt ons natuurlijk ook mee, zegt Bets plagend. Dank je wel, zegt Em, bezig de sneeuw van mantel en muts te schudden. Ga jullie maar een sneeuwpop maken, hoor. Ik zal blij zijn, als de heele pop weggesmolten is.

 
   

Koudkleum, koudkleum! roepen Bets, Door en Karel.
Na de boterham trekken ze met hun viertjes aan 't werk. Een pret, dat ze hebben, als ze den sneeuwbal, die de romp moet worden, door den tuin rollen.
De pop wordt hoe langer, hoe dikker, zingt Bets hijgend. Onze Kobus wordt hoe langer hoe dikker! zegt Herman.
Kobus ? giert Dora.
Ja zeker, de pop moet toch een naam hebben. We zullen hem Kobus noemen.
Kom, nu moeten we nog het hoofd maken, vooruit, allemaal aan het werk.
Een, twee, drie, hoepla, het staat boven op den romp. Nu moet ik nog even knoopen aan zijn jas naaien, zegt Herman, terwijl hij steentjes onder de sneeuw vandaan haalt, die hiervoor moeten dienen.

 
   

Zeg, Her, je moet hem ook nog oogen maken.
Natuurlijk, de stumper moet toch kunnen zien. Voor kou vatten, zal ik hem mijn hoed geven.'
He, zegt Bets, ik ben nog moe van het sneeuwballen gooien van vanmiddag en nu van het door den tuin rollen van mijnheer Kobus, en meteen ploft ze op den grond neer.
Ik kan niet zeggen, dat je daar een zacht en warm plaatsje uitkiest, lacht Herman.
Neen, zachte en warme plaatsjes kan Emmy beter uitzoeken, zij zit nu stellig bij de kachel op een gemakkeIijk stoeltje.
Raadt eens, waar juffrouw Sanders en kleine Kathrien van morgen in dien sneeuwstorm hebben geschuild ?
vraagt Herman, als hij bezig is met het oog van Kobus nog wat duidelijker te maken.
]a, hoe zal ik dat raden? In de schuur, hier achter? O neen, veel mooier plaatsje hebben ze uitgekozen.
Flauw om te schuilen, als het sneeuwt, ik vind 't juist zoo leuk om in een sneeuwstorm te loopen.


Nu ja, maar dat plaatsje had jij ook wel leuk gevonden, dat weet ik zeker. 't Was bij een vriendje van jou.
Een vriendje?
Ja, hij woont alleen en in de buurt van 't jachtslot.
Toe, zeg 't maar, ik kan 't heusch niet raden.
Nu dan, juffrouw Sanders is met Kathrientje bij Fidel in het hondenhok gekropen.
Je weet wel, in die reuzenton, die dicht bij het slot ligt.
Is 't heusch ?

 
   

Bets, Door en Karel schateren het uit, juffrouw Sanders in het hondennok met Kathrien om te schuilen, giert Bets. Maar hoe kon ze er in komen? vraagt ze ongeloovig.
Ja, hoor eens, zusje, dat weet ik niet, maar ze hebben er in gezeten.
Juffrouw Sanders heeft natuurlijk erg krom moeten staan, dat begrijp je.
Maar ze hebben het toch erg leuk gevonden.

En Fidel ?
Die ook. Als je zooveel alleen in je hok zit, dan vind je zoo'n visite wat aardig. Ik denk, dat Fidel daarom al even blij met den sneeuwstorm van vanmorgen was als wij.
O, 't is om te gieren, roept Bets, juffrouw Sanders in 't hondenhok! Dat zal ik, Emmy gauw gaan vertellen!
Ja, dat zullen we Emmy gaan vertellen, roepen Karel en Door.
Dag, mijnheer Kobus, hoera, nu naar de warme kachel! Toch heerlijk, zoo'n echte, koude winterdag!

 

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index