En toen, oom, wat gebeurde er toen? vroegen Bert, Jan en Karel.
Wel, toen het groote schip niet geheel aan den wal kon komen, namen we een roeiboot en gingen daarin zitten.
De groote booten zijn prachtig en sterk, maar soms heb je meer plezier van de kleine, want wat zouden we hebben moeten beginnen, als we die niet hadden gehad.
In zoo'n kleine boot te zitten, lijkt me leuk, zegt Bert.
Ja, in een bootje zitten is heel aardig en later, als jullie groot bent, moet jullie ook vooral leeren roeien, dan word je flink en sterk -maar eerst leeren zwemmen, varen zonder dit te kunnen is heel dom.
Je kunt nooit weten, wat er gebeurt. Een groote boot kan tegen je aanvaren en het kleine bootje kan omslaan.
Als je zwemmen kunt, dan zal een nat pak je niet hinderen en ben je een tweeden keer voorzichtiger.
Ik zou het toch echt leuk vinden in zoo'n bootje, zegt Bert weer.
Ja, ja, dat lijkt je nu heel mooi, maar op 't water in een bootje, neen, hoor, dat is voor jullie nog niets waard.
Ik weet iets, ik weet iets, roept Karel. Zeg eens, jongens, weet je, wat we doen?
We spelen, dat het grasveld achter in den tuin water is.
O ja, valt Bert in, en dan gaan we daar varen. Ja, dat kan zeker geen kwaad, lacht oom.
Maar we hebben immers geen bootjes, zegt Jan.
Nu ja, ik bedoel in een fopbootje varen. Kom maar mee. In de schuur liggen mandjes, en andere dingen, die we wel kunnen gebruiken.
Ja, kom, hoera! roept Karel en holt vooruit. Dag oom, roept hij nog onder 't weghollen, dag oom!
Nog even loopt hij terug. Oom, als een massa bootjes bij elkaar zijn, hoe heet dat dan ook weer?
Een vloot, kleine zeeman.. Nu dag, pas maar op, dat jullie niet verdrinkt, roept oom Bert en Karel nog toe.

 
Deze mand neem ik voor boot, zegt Bert. Karel en Jan zoeken nog, kunnen moeilijk iets vinden.    
Hoera, ik neem de oude kuip, zegt Karel.
En ik deze mand, zegt Jan. Met de stokken van 't oude bloemenhek kunnen we best roeien.
Daar komt Trim aanhollen. Zullen we spelen, dat Trim verdrinkt en wij hem redden?
Neen, dat vind ik geen aardig spelletje, zegt Karel. In 't kolenhok staat nog een klein mandje, juist geschikt voor Trim. We spelen dan, dat Trim een neger is.   
'k Doe mijn roeispaan door de spijltjes van mijn boot, dat is leuk, zegt Jan.


Alle drie zitten ingespannen te roeien, behalve Trim natuurlijk, maar die vindt het prettig bij de jongens.
Daar komen Bob en Theo ook aan. Mogen we mee bootje varen? roept Bob.
Zoek maat in de schuur, zei Bert, daar hebben wij de onze ook vandaan gehaald.
Bob en Theo aan 't zoeken, kunnen niets anders vinden dan een groote mand.
Hoezee, hoezee, wie vaart er mee, zingen Bob en Theo, terwijl ze de mand over hun hoofden leggen.
Toosje, die juist met haar schopje aan komt loopen, juicht: Wat een prachtige, groote tuinhoed.


't Is een boot, komt Bobs stem er onder uit.
Mag ik meevaren? bedelt Toos. Ja, dat is goed, vraag jij dan even, of ma een zeil voor ons maakt.
Toosje holt naar huis; komt na een minuut of vijf, terug met een zeil.
Fox moet 't anker zijn, dat we uitgooien, zegt Toos, die oom  wel eens van een anker heeft hooren vertellen.

Ik mag sturen,zegt Theo, meisjes sturen nooit en Bob mag het zeil vasthouden.
Fox heeft spijt, dat hij maar niet stil in 't lekkere zonnetje is blijven zitten.
Anker zijn vindt hij alles behalve prettig en Pollo speelt ook liever met Cardoes en Juun.
In stilte wacht hij op 't oogenblik om uit de boot te springen, maar als Theo naar hem kijkt, zet hij een gezicht, alsof hij 't roeien, o zoo prettig vindt. 
Dit is nu een vloot, roept Karel Theo toe. En dit is een oorlogsschip, roepen Toos en Bob terug.
En dan beginnen allen te zingen:

Varen, varen op de zee,
ieder brengen wij iets mee;
Vader een walvisch, moeder een snoek,
Broertje wat schelpjes en zusje een koek.

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index