Netjes in de beste kleeren, gingen Grietje
En broer Pietje
En hun hondje, Kwik me Dat,
Heel genoeglijk met hun drietjes
Wandelen langs 't Geuzenpad.
Piet voor 't eerst een hoogen hoed op,
Voelde zich een echt mijnheer,
Griet zei: 'k Neem mijn parapluie mee,
Je zult 't zien: 't Wordt hondeweer.
't Hondje dacht: "Dat zou mij lijken,
'k Zie Cardoes en Fox: al kijken,
't Weer is altijd voor de menschen,
Nu wordt 't eens, als wij 't ons wenschen.
Brr, een rukwind, lieve tijd,
Pietje raakt zijn hoedje kwijt.
't Mooie hoedje woei, 't is heusch,
Boven op oom Klaas zijn neus.
Oom riep: Piet, nu heb ik er twee,
Maar de wind nam ooms ook mee.

't Water kletterde bij stroomen
Langs de daken, op de boomen
En de straten, klidderklad,
Werden als een spiegel glad.
Juffrouw Floor -met Ri en Ru
Zuchtte: 0, wee, mijn paraplu!
't Heele ding waait mij nog om
Die van jou, man, is al krom. 
En de koopman dacht: "Mijn visch,
Meent nog, dat de zee hier is.
Tingeling, de tram, hoezee!
Halt, conducteur, wij rijden mee,
Riepen Grietje
En broer Pietje.
't Hondje dacht: Nu, dat's één keer,
Nooit ga ik meer door hondeweer.



naar inhoud gelukkige uurtjes naar index

© jenneken