'Ma zijn de koffers al weg?' 'Is mijn vlag ingepakt?' 'Hebt u aan de keteltjes gedacht en aan onze kopjes?' riepen, Willem, Toos en Meta als uit een mond, toen ze uit school thuis kwamen.
'Kinderen, kinderen!' zei ma, terwijl ze de handen aan de ooren hield, jullie maakt mij nog doof met je geschreeuw.
Een beetje kalm als je blieft. De koffers zijn al verzonden.
Ik geloof niet, dat ik iets vergeten heb.'
'Ziezoo, kinderen,' zei pa een poosje later, 't is tijd, Zijn jullie allen klaar? '
'Waar is mijn hoed, mijn schop!' riepen Toos en Willem.

Een half uur later zaten allen rustig in den trein, 'He, wat duurt het lang, voor we er zijn,' zei Willem.
'0 kijk eens, daar zie ik den vuurtoren al,' riep Toos een half uur later opgetogen.
'Ja, ja en de duinen! Hoera, nu zijn we er dadelijk!'
'Een, twee, drie, uitgestapt, we zijn er,' zei pa even later.
'Kijk eens, wat is de zee mooi,!' zei Toos. 
'Als jullie nog aan het strand wilt spelen, dan je bloesje en rok uitgetrokken en je strandjurk aan en jij Wim, je strandpakje aan. De koffers zullen wel al op onze kamers staan.'
'Wie helpt mij mee,' riep Meta, haar schop in de hoogte zwaaiend, 'een hoogen berg maken met leuke konijneholletjes ?'
'Ik,' riep Wim, 'Ik graaf een kanaal om jou berg heen.
En weet je wat? Als jij den berg klaar hebt, zetten we er mijn vlag boven op.' 'Ja, leuk!' juichte Meta, 'kom mee' 'Ik ga lekker met bloote beenen in zee loopen, 'zei Toos en trok n, twee, drie, haar schoenen en kousen uit, rolde haar jurk zoo hoog mogelijk op.
'Ik moet eerlijk bekennen,' zei ma, 'dat ik na onze reis niet veel lust heb om een konijnehol te maken, zooals Meta of op bloote beenen in zee te loopen, zooals Toos. Ik ga heerlijk met een boek in mijn klapstoel zitten lezen.'
'En ik,' zei pa lachend, 'heb ook niet veel lust om een kanaal te gaan graven, zooals Wim, ik kom met mijn klapstoel en mijn krantje bij je zitten, moeder.
Zoo'n lui leventje lijkt me wel.' '

Mogen we nu Indiaantje spelen, ma?' vroeg Toos eenige dagen later.
'Jullie ziet er echt Indiaanachtig uit met je roodverbrande gezichten,' zei ma lachend.'
't Is maar jammer, dat we geen Indianenpakjes hebben.'
'Ik weet nog veel aardiger spelletje,' zei Meta. 'Ik heb een mooi boek gelezen, daarin kwam het vergaan van een schip voor midden in den nacht, bijna alle passagiers verongelukten, maar een paar werden door een matroos gered.
Laten wij nu spelen, dat wij op dat schip hebben gezeten en dat Wim de matroos is, die ons heeft gered.'
'Als ik Wim zoo aanzie,' zei pa lachend, 'dan kan ik mij best zoo iets van hem begrijpen.
Hij ziet er verbazend moedig uit.'
'Laten we het dan spelen bij het leuke tentje aan het strand,' zei Toos.
'Mogen we de ketels nu mee, ma, die voor het Indiaantje spelen in den koffer zijn gepakt?'
'Redde de matroos die ook ?' plaagde Ma.
'Och, wel nee, we spelen, dat die aan het strand zijn gespoeld.'
'Nu, weet je wat, laat dan ,ook maar een paar koppen en een keteltje, met chocolade aan het strand gespoeld zijn,' zei ma lachend.
'Hoe vinden we nu iets om de ketel op te zetten,' zei Meta, 'hout en lucifers heb ik.'
'Hoe deden de menschen dat uit jou boek?' vroeg Wim. 'Dat weet ik eigenlijk niet meer.
Hoera, ik heb, geloof ik, al iets gevonden,' zei Meta. 'We zetten den ketel tusschen deze steenen en leggen het hout onder den ketel.'
Het kostte heel wat moeite, voor het hout brandde, maar eindelijk begon het toch.
'Hoe echt toch,' zei Toos. 'Het water zal wel gauw koken, er is maar weinig in.'
'Nu eerst een kopje chocolade,' stelde Meta voor.

 
   

'Dronken de menschen uit jou boek ook chocolade?' vroeg Wim. 'Neen, hoor,' lachte Meta.
'Dit stukje taart mogen we samen deelen, heeft ma gezegd; want ma dacht, dat we wel honger zouden hebben, als we zoo'n heelen nacht op zee waren geweest,' schaterde ze.

Toos, Greta en Wim waren z in het schipbreukeling-spelletje verdiept, dat ze heelemaal om geen etenstijd dachten.
'0 wee,!' zei Toos op eens, 'kijk eens, bijna alle menschen hier aan het strand zijn al weg, 't is zeker al heel laat.'
Op een drafje, Toos met de ketels, Meta met de kopjes en Wim met den schop, renden ze naar het hotel.
'Komen jullie daar eindelijk aan?'
'We hebben toch zoo leuk gespeeld, ma.'
'Ja, maar later beter om je tijd denken en je gauw netjes opknappen.
Fen, ons buurmeisje, is hier zoo juist geweest, om te vragen of Toos en Meta met Dirk en Jan met haar na den eten naar de duinen wilden.' 'Dolgraag,!' riepen Toos en Meta.
'Laten we van de duinen afrollen en zien, wie het eerst beneden is,' stelde Dirk voor.
'Ja, uit den weg, ik rol al' riep Jan. 'Kom Toosje, een beetje vlugger,' zei hij , en trok Toosje naar beneden.'
'Vooruit, wie 't eerst boven is.' Het werd een wild spelletje duin af, duin op. 'Ik kan zoo gauw niet,' hijgde Toosje.
'Kom mee,' zei Fen tegen Dirk, 'de anderen zijn een heel eind achter, laten we ons achter deze halmen verstoppen, sst, niet praten.
Ze zullen ons natuurlijk overal zoeken. Daar hoor ik Jans stem. Kijk, daar komen ze aan, Meta vooruit, 0, zie Jan eens rennen. Stil, ze roepen ons. Niets zeggen, hoor, Toos komt een heel eind achteraan natuurlijk.
Owee, ze kijkt dezen kant op. Kruip weg, anders ziet ze ons nog. 'Hoera, ik zie ze, ik zie Fens muts!
'Achter de halmen zitten ze.'
Op 't geroep van Toos kwamen Meta en Jan, die in hun vaart bijna al weer een ander duin opgerend waren, ook terug. 'We hebben jullie toch maar mooi laten zoeken,' zei Fen lachend.
'Wat hebben we toch weer een heerlijken dag gehad, ma,' zei Toos, toen ze met Meta thuiskwam.
'Ja, ja; ' zei moeder, 'de zee, het strand even heerlijk.' 'Maar 't zonnetje moet er bij,' zei pa. Ja, daar waren allen 't over eens

 
   
 

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index

jenneken