Hoera, daar is de winter weer,
Sneeuwvlokken vallen dwarrelend neer
En leggen in een korten tijd
Op grond en boom een wit tapijt.
De winter is er, joechei! joechei!
Wie is nu niet vroolijk, wie is nu niet blij ?
Haalt vlug de schaatsen voor het licht,
Kanaal en plas, 't ligt alles dicht!
Lijkt 't ijs soms hier en daar wat zwak,
Gaat het wel eens: krik krak, krik krak,
Geen nood, wij blijven op de baan;
Wie bang is, blijft van ver maar staan.
De schaatsen doen kris, kras op 't ijs,
Wie 't vlugste rijdt, krijgt vast een prijs.
Zijn we eindelijk van het rijden moe,
Dan gaan we vroolijk naar moeder toe,
Rn zien we de soep op de tafel staan,
Dan vallen we daar als wolven op aan.

En na den eten opnieuw weer pleizier,
Dan spelen we schooltje, of wel zijn koetsier,
Of we zetten den stoel voor moedertje klaar,
En kruipen héél knusjes dicht bij elkaar
Om 't kacheltje heen, dat zoo lustigjes brandt,
Dat de vonken spatten naar allen kant.
Dan luisteren we allen met open mond,
Hoe moeder vertelt van een armen hond,
Of van 't meisje, dat vleugeltjes had van satijn
En zoo héél graag een vlindertje wilde zijn;
Of van Christkindje, dat op de aarde verscheen,
Als muisjes zoo stil staan we om moesje dan heen,
Tot moedertje zegt: „Nu is 't uit met de pret
Als flinke kinderen nu 'gauw naar je bed."
Dan droomen w''e 's nachts weer van sneeuw en van ijs,
Van baantje glijden en van een prijs,
Van 't heerlijke feest van den goeden Sint.
Ja, de winter, de winter, hij is onze vrind.


 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index

© jenneken