Wie kaatst, moet den bal verwachten.

"Tante, daar zijn we eindelijk," riep Truitje, nog hijgende van 't harde loopen.

„Mooi zoo. Ik dacht werkelijk, dat jullie niet meer zou komen. Pas op nu maar,
dat je je niet weer zoo vuil maakt als den vorigen keer. En Karel, denk er om,
dat je Trui niet weer zoo plaagt door haar met een rups of met een kikker achterna te zitten."
„Flauwerd, klikspaan, heb je dat aan tante verteld?" zei Karel boos.

„Nu, geen gekibbel hier. Ga maar eens gauw in den tuin. Trui, je moet eens zien, hoe mooi mijn maandroosjes er uitzien."
„Karel, kom, achter in den tuin staan de roosjes." Trui holde al vooruit „Kijk toch eens, deze donkerroode."

„Ik houd veel meer van roode bessen," zei Karel.
Opeens zag hij de tuinspuit. „Hoe leuk, die spuit! Den tuinman zie ik nergens, wacht, effentjes probeeren," dacht hij bij zichzelf. „Zeg eens, Trui, zie je die oranje appels aan dit boompje?"
Trui keek op: „Oranje appels?"

Prrr! een fiksche waterstraal kreeg Trui in het gezicht.
„Dat heb je voor je klikken, frisch, hè?"
„O, o, brr, brr." Trui gilde het uit.

„Jou, ondeugende plaaggeest, ik zal jou wel," dacht de tuinman, die haastig aan kwam loopen.
Vlug zette hij den voet op de slang, zonder dat Karel dat bemerkte.
„Hè, wat nu, zou de spuit stuk zijn?" dacht Karel. „Er wil in 't geheel geen water uit komen. Hoe vreemd."
Hij keek, keek: „brr, wat is dat?" o, o! daar kreeg hij een dikke waterstraal vlak in zijn gezicht.
„Wie — doet dat?" gilde hij;

„Ja, jongetje, eerlijk verdiend," de tuinman schudde van 't lachen, toen hij Karel zoo zag springen.
„Ja, eerlijk verdiend, hoor!" schaterde Truitje. Wat hadden de tuinman en Truitje een pret!
En toen tante 't later hoorde, zei ze: „Ja, ventje, dat komt er nu van; wie kaatst, moet den bal verwachten."

 
   

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index