Als 't Zondag is, mag je alleen naar Grootmoe gaan," had moe verleden week tegen Marietje gezegd.

„Heusch ? O, wat vind ik dat heerlijk. Ik heb 't nieuwe huis van grootmoe ook nog niet gezien, wat zal grootmoe opkijken, als ik er alleen aankom?"
Nu was 't Zondag. Marietje huppelde van ongeduld om weg te komen.
„Kindje, sta nu eens een oogenblik stil, ik kan zoo onmogelijk je jurkje vastkrijgen."

„'t Is eigenlijk maar goed, dat grootmoe niet wéét, dat ik kom, want dan zou ze maar bang zijn, dat ik verdwaalde, of een ongeluk zou krijgen, hè moe ?"

„Luister nu eens goed, juffertje Ongeduld. Eerst ga je een eindje den weg op, dan volg je maar steeds het smalle zandpaadje door het land; denk er om, dat je niet in vergissing naar Grootmoe's oude huisje loopt.
Als je een eindje 't land door geloopen bent, zie je aan den eenen kant van 't smalle paadje een hekje en aan den anderen kant een vogelverschrikker staan en —"

„Een vogelverschrikker, maar moes, die doet je toch niets?"

„Och, wel nee, kindje. Die staat er maar voor de vogels, dat ze geen zaadjes uit den grond zullen pikken.
Jij bent toch geen vogeltje, is 't wel?"
„Nee hoor," lachte Marietje.
„Nu dan, het smalle zandpaadje loop je verder af, dan kom je vanzelf bij Grootmoeders huis. Nu dag! Loop maar niet te vlug."

Parmantig stapte Marietje den weg op. „Wat stond het toch groot, zoo alleen! O, daar zag ze het zandpaadje al.
Wat een aardig smal paadje. Zou 't nog een eind zijn, voor ik bij het hekje kom ?
Misschien kom ik nog den vogelverschrikker wel tegen, hij zal toch niet steeds op dezelfde plaats staan ?
Misschien is hij er nu wel niet, omdat het Zondag is. Stil, daar zie ik iemand staan, dat zal hij zeker zijn.

 



Ja, daar is 't hekje ook." Marietje begon langzamer te loopen, ze werd wel een beetje bang, wat zag die man er vreemd uit.
Eigenlijk had ze grooten lust om weerom te keeren, maar nee, dat wou ze maar niet doen, dat vond ze toch ook wel wat kinderachtig. Moeder had toch immers gezegd, dat de vogelverschrikker er alleen voor de vogels stond.

Schoorvoetend naderde ze 't hekje.
De oogen had ze niet van den vogelverschrikker af, maar toen ze dichterbij kwam, wist ze niet, wat ze zag.
Ze zag alleen kleren hangen. Daar begreep ze nu niets van. Een geheelen tijd bleef ze er voor staan en keek, keek — Dat ze daar nu bang voor geweest was!

Toen liep ze vlug naar Grootmoeders huis. Grootmoeder wist niet, wat ze zag, toen ze Marietje aan zag komen.
„Wel, meisje, kom je heelemaal alleen?"
„Ja," knikte Marietje, en zij voelde zich erg groot.
„Kon je den weg wel vinden en heb je den vogelverschrikker ook gezien?"

„Ja, Grootmoe, maar dat is een echte grappenmaker; want weet u, wat hij gedaan heeft?
Hij is uit zijn kleeren gekropen en heeft er een groote poppekop op gezet."

Toen moest Grootmoeder lachen, lachen, zooals ze nog nooit van haar leven gelachen had en Grootmoe is al heel oud.

 

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index