Er zal groot feest zijn in de poesenwereld, ter eere van Kater Snor's verjaardag.
Kater Snor is de deftigste en mooiste poes uit den omtrek.
En sedert de familie, bij wie Kater Snor zijn intrek heeft genomen, hem eens met een prachtige witte pet op heeft laten photografeeren, alsof hij een mijnheer en geen poes is, is Kater Snor zoo mogelijk nog ernstiger geworden en zijn zijn bewegingen nog bedaarder en deftiger.
 
   


 

Te zijner eer zal er een groot nachtelijk feest zijn. Geen wonder, dat er groote opgewondenheid heerscht onder de poesen.
Er is bepaald, dat er een groote rijtoer zal gehouden worden in twee zandwagentjes, die in een tuin in de buurt staan.
Van alle poesjes is er zeker geen, die zich zóó in het feest verheugt als Molly.
Molly is 't leuke grijze poesje van kleine Else.

„Maar Molly, wat heb je toch?" vraagt Els dien morgen, „wat ben je verbazend onrustig, dat is nu warempel al de derde maal, dat ik het tafelkleed op de tafel leg en iederen keer vlieg jij met zoo'n vaart er over heen, dat het kleed er af glijdt.
Ja, ja, je behoeft mij niet zoo aan te kijken, ik ben werkelijk een beetje boos op je."

 

 

 

 

Molly knipt een paar keer met haar oogen, rekt zich eens flink uit — en zwijgt. Even later springt ze op een kastdeur, die toevallig open staat, vandaar, plof, op den grond en dan weer met een klein sprongetje op de vensterbank.

Mimi, 't poesje van de buren, is al even opgewonden.
Die is in dolle vaart over den schoorsteenmantel gerend en hoe voorzichtig anders ook, nu heeft ze een beeldje er af gegooid, dat in scherven op den grond is gevallen.

„Er zit storm in de lucht," zegt de vader van Dora, van wie 't poesje is.
„Kijk Mimi nu eens weer door de gang rennen. Alle kleedjes raken van hun plaats."

„Voor dezen keer krijg je nog een schoteltje melk," zegt Door tegen de poes, „maar beloof me dan..."

 

 

 

 

Bij 't zien van de melk gaat Mimi als 't gehoorzaamste liefste poesje op haar achterpootjes zitten, zoodat Door heelemaal vergeet te brommen en het schoteltje dadelijk voor Mimi neerzet in een bewondering voor 't leuke tongetje, dat zoo vlug de melk weet op te likken.

En Moortje, weer een andere poes, springt, wat ze anders nooit doet, boven op de wip, terwijl Karel en Anneke er op zitten. Karel vindt 't leuk, "grijpt Moortje dadelijk vast.
„Pas op," zegt Anneke ongerust, „houd haar maar goed vast, dat ze niet naar mij toe glijdt, want dan kon ze wel onder de wip raken, ze is van morgen zoo wild. Grappig toch," zegt ze, „gisteren riep ik haar om bij mij te komen, maar denk je, dat ze wou?"

 

 

 

 

„Neen, natuurlijk niet, een poes doet nooit, wat je graag wilt, zegt vader, maar volgt altijd haar eigen kopje."
„O, jou kleine, zwarte Moorekop, vertel eens, wat je van morgen hebt uitgevoerd," lacht Anneke, „zal ik 't eens zeggen?"
„Nee, nee, niet klikken," roept Karel lachend. „Moor vertelt van ons ook nooit iets, als wij ondeugend zijn geweest."
„Nu, dat weet ik nog zoo net niet," zegt Anneke, „gisteren zat ze zóó dicht bij 't grijze poesje van hier naast, ze had stellig een geheimpje."
„Een poesengeheimpje dan zeker," lacht Karel.

Eindelijk is 't nacht. En 't duurt niet lang, of van alle kanten komen de poesjes uit de buurt opdagen, over de daken en langs de schuttingen.

Nadat allen den jarige op poesenmanier hebben gefeliciteerd, worden vier poesjes,
die 't mooist kunnen miauwen, uitgekozen om een kattenconcert te geven.
Als Miep en Piep zingen van de droevige geschiedenis van een vlieg, die op het oogenblik, dat de poes haar eindelijk meent te hebben, toch nog ontsnapt, gaat er een zucht op uit alle kattenkeeltjes, een zucht, niet omdat ze blij zijn, dat de vlieg ontsnapt, maar uit medelijden met de arme poes, wie zoo'n heerlijk hapje was ontgaan.

 

 

 

Daarna zal de rijtoer zijn, waarop allen zich zoo spitsen. De zandwagentjes staan eenige tuinen verder, dan waar het concert is gegeven en nu loopt een ieder, wat hij loopen kan om op het feestterrein te komen, want wie er 't eerst is, mag koetsier zijn. Fidel en Fox zullen voor paard dienen. Dat is afgesproken.

Mimi en Grisette, die de laatsten zijn in den wedloop, raken wat afgedwaald van de andere poesjes en komen voorbij een boomstam, die dwars over den weg ligt. Mimi, als een echt nieuwsgierig poesje, moet natuurlijk weten, wat dat is. Hup, zij over de plank, Grisette aan den anderen kant er op en daar gaat het heen, op, neer, op, neer. De rijtoer is voor 't oogenblik geheel vergeten.

 

 

 

Lili, Cora, Minet en Pimmi ontdekken in een schuur op weg naar het feestterrein een oude Arke Noach's.
Li, een grijs poesje, begint dadelijk met een duif te spelen, maar Minet heeft liever een olifant.
Cora en Pimmi zoeken een plaatsje in de oude doos.

 

 

 

 
Terwijl de vier poesjes, evenals Mimi en Grisette den rijtoer voor een oogenblik vergeten, is het op het feestterrein een heel gedrang om de rijtuigen, wie koetsier zal zijn en na heel wat gekrabbel van alle kanten worden Bim en Nip koetsier.
Molly, die dadelijk wel voorziet, dat zij, als de kleinste, het toch niet van de groote poesen zal winnen, springt op een houten paardje, klapt met de zweep, dat het een aard heeft en heeft op haar eentje als ruiter verbazend veel plezier.
 


 

 

Onder prachtig kattengezang rijden de karretjes den tuin rond. Fidel en Fox zijn flinke dravers.
Poetie heeft voor deze buitengewone gelegenheid een draaiorgel aangeschaft en draait fleurig er op los:„Een muisje speelde dicht bij poes."

Niemand van de feestvierenden herinnert zich ooit zoo'n heerlijk feest meegemaakt te hebben.
Driemaal zijn de rijtuigen in volle vaart al rond gereden, als Grisette en Mimi, die al dien tijd naar hartelust hebben gewipt, op eens denken aan 't feest, dat zeker al in vollen gang is.
Boos, dat niemand haar heeft gewaarschuwd, rennen ze naar het feestterrein.
Tot hun schrik zien ze, hoe vol beide wagens al zijn. Maar Minet ziet toch met een oogopslag, dat er voor haar en Grisette in den eersten wagen nog wel een plaatsje te vinden is. Minet wil Fidel beduiden even halt te houden, maar Fidel heeft hier geen ooren naar een rent door, dit maakt Minet nog boozer.
Plotseling vliegt Fidel met zijn wagen in woeste vaart tegen een steen aan. Krak, krak, twee wielen vallen er af.
Fidel trekt en trekt, tot opeens de touwtjes, waarmee hij aan den wagen zit vastgebonden, doorbreken, en o, schrik, daar rollen, hoe vreeslijk, koetsier en passagiers over elkaar op den grond.
Een jammerlijk kattengeschreeuw klinkt door den tuin.
Op 't hooren van dat geschreeuw laten Minet en Li duif en olifant in den steek en hollen naar de schutting, doodelijk verschrikt kijken ze er over heen, wat er toch gebeurd mag zijn.
Fidel, nu geheel vrij, rent in dolle vaart achter Minet aan. Moor, een groote zwarte kat, wil haar nichtje Minet helpen, maar durft toch eigenlijk niet, bij het zien van de woedende oogen van Fidel. Zij blijft op een afstand staan blazen
en haar mooie, zwarte staart wordt van angst en boosheid nog eens zoo dik als anders.
Gelukkig weet Minet in een boom te ontkomen. De koetsier bezeert zijn oor, een andere poes haar staart en weer een andere haar poot.

 


 

Wel een treurig einde van een feest, waarnaar alle poesjes met zoo'n verlangen hebben uitgezien.

 

 

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index