Ik weet wel, wie naar Zaterdag verlangt," zegt pa 's morgens aan de ontbijttafel. Allen kijken lachend naar Trui.
„Nu, wie zou ook niet naar zijn verjaardag verlangen," vindt ma.

„Ik heb een mooi plannetje," begint pa weer.
„Een plannetje, als ik jarig ben?" vraagt Trui nieuwsgierig.
„Ja, een leuk plannetje, jullie moet maar eens raden."
„Mogen we misschien poffertjes bakken?"
„Mag ik visite hebben? Mogen Leen en Annie hier komen eten?"
„Mogen we roovertje op den zolder spelen? Vuurwerk afsteken in den tuin?" klinkt het van alle kanten.

„Ho, ho, ho," roept pa met de handen aan de ooren, „jullie schreeuwt me haast doof. Ik zal jullie maar een beetje helpen:

Acht pootjes gaan er van trap, trip, trap,
Een zweepje gaat er van klap, klip, klap,
Vier dingen draaien om hun as,
Een voerman komt er aan te pas."

„Hoera, ik weet het," juicht Lies, na zich een oogenblik bedacht te hebben, een rijtuig bedoelt u. We gaan uit rijden, hoera!"
„Heusch?" vroegen Lies en Frans met schitterende oogen.
Ma en pa knikken lachend.
„Mag ik op den bok zitten, pa?" vraagt Frans en danst van plezier de tafel rond.
„Dan kalmer zijn, jongetje, want zoo'n vroolijk Fransje, als jij nu bent, vind ik heusch daar niet vertrouwd."
„Nu is 't nog moeilijker, om tot Zaterdag te wachten," zegt Trui.

„'t Is te hopen, dat het Zaterdag mooi weer is, want jullie begrijpt, als 't regent, kunnen we onmogelijk gaan."
Neen, natuurlijk niet, dat begrijpen allen wel. Maar naar regen lijkt het warempel niet veel, het zonnetje schijnt zoo heerlijk naar binnen.
„Nu, kinderen, kijkt eens op de klok," zegt moeder, „'t wordt tijd voor school."
„O, wat is 't al laat," zegt Trui verschrikt. In een ommezien zijn alle drie de deur uit.

„Wat is dat? Klettert het tegen 't raam? denkt Trui, als ze Vrijdagnacht even wakker wordt.
Het zal toch niet—hup,—Trui 't bed uit. „Ja warempel 't regent, hoe vreeselijk."
Bedrukt blijft ze naar buiten staren. „Het is nog maar zes uur, het kan nog wel opklaren," troost zij zichzelf en vol goeden moed
stapt ze weer in bed en na vijf minuten slaapt ze als een roos.

Maar och, wat eene teleurstelling voor Lies en Trui, als ze 's morgens wakker worden en de regen met alle geweld
tegen de ruiten klettert.
„We gaan natuurlijk niet," zegt Lies, die door 't weer heelemaal vergeet Trui te feliciteeren.
„Neen, zoo kunnen we niet gaan," de tranen zitten Trui voor de keel.

„Ik feliciteer je wel," zegt Lies met hakke'ende stem. „Ik heb jou cadeautje beneden, als ik klaar ben, zal ik het je geven."
Even komt er een vroolijke uitdrukking op Trui's gezicht. Dat was waar ook, ze is jarig, jarig zijn is toch ook heerlijk, maar, maar
— die rijtoer, waar ze zoo'n verbazenden zin in heeft. Dat die over moet gaan, dat is toch wel vreeselijk jammer.
„Wat is het?" vraagt ze, nu ze aan het cadeautje denkt.
„Neen, dat zeg ik niet, dat zul je straks wel zien."
„Misschien houdt de regen nog wel bijtijds op," zucht Lies. „Ik ga eens even beneden op den barometer kijken."

Lies een, twee, drie 't bed uit en op haar kousen naar beneden. Maar och, dat bedroefde gezichtje van Lies,
als ze weer boven komt. „Nu is ma ook niet goed," snikt ze.
„Is ma ziek?"
„Ja," snikt Lies, „pa zegt, we moeten heel stil zijn, want ma heeft erge hoofdpijn. Pa kon niet goed met ons ontbijten.
We moeten dat maar met ons drietjes doen en jij moet Frans maar een boterham smeren."

Trui zegt niets, dikke tranen biggelen haar langs de wangen — zoo begint nu de Zaterdag, waar zij zoo naar verlangd heeft.
Voor 't naar school gaan komt pa nog even haastig binnen, om Trui te feliciteeren.
Wat een treurige verjaardag is dat voor jou, vrouwtje. Wij hadden ons dien anders voorgesteld, hè?
Kijk eens, ma en ik hebben gedacht, dat je wel graag een boek zoudt willen hebben.
Hoe lijkt je dit? „Ons Zonneschijntje," heet het."
„Heerlijk," zegt Trui door haar tranen heen.

„Nu, nu, droog maar gauw je tranen," zegt pa, met een grapje. Buiten valt er al water genoeg. Als ma weer beter is
en het zonnetje schijnt warm, dan kunnen we immers ons plannetje toch nog uitvoeren.
Zullen jullie vooral heel stil zijn en kleine jarige, jij bent nu al zoo oud, zul jij vooral Frans vanmiddag wat bezighouden,
zoodat ma hem niet te veel hoort?"

Trui knikt, heeft moeite haar tranen in te houden, maar ze wil nu niet meer schreien, ze is nu toch alweer een jaar ouder,
de oudste van hun drieën. Ma noemt haar dikwijls plagend haar kleine huishoudster.
Frans komt met een boekenlegger, dien hij zelf gevlochten heeft en Lies met leuk rose postpapier,
maar de gezichten staan alles behalve feestelijk.
Trui doet alle moeite vroolijk te kijken, maar 't gaat moeilijk. Onder een stortbui trekken alle drie een half uur later naar school.
Op school zit Trui allerlei stille spelletjes te verzinnen, om dien middag met Frans en Lies te gaan doen.

Pa staat hen om twaalf uur al op te wachten, om Trui er nog eens aan te herinneren, dat ze toch vooral heel stil moeten zijn.
En zoo sluipen ze dan zacht met hun drieën na de koffie naar boven. „Frans, jij mag, omdat je de jongste bent,
nu eens kiezen, wat we zullen spelen," zegt Trui.
„Och, ik weet niets," pruilt Frans voor zich heen. „Ik vind het zoo vervelend, dat 't regent en dat we niet rijden kunnen.
Wat hebben we nu aan zoo'n verjaardag."
„Zullen we dan doen: ik zie een kleur, die jij niet ziet," stelt Trui voor.
„Och, wat heb je daar nu aan," zegt Lies en kijkt druilerig naar buiten. „Dat ma nu juist ziek moest worden, net op je verjaardag."
„Ja," zegt Trui, „als ma nu maar niet zoo'n hoofdpijn had, die stumper."
Lies kijkt op, nu Trui dat zegt. „Zou ze zoo'n erge hoofdpijn hebben?" ze krijgt een kleur van schaamte. Eigenlijk heeft ze
aan ma niet gedacht, maar meer aan den heerlijken rijtoer, die over is gegaan.

 

 

 
Trui zegt niets, ze zegt ook niets tegen Frans, die nog steeds naar buiten kijkt, maar ze gaat op een laag stoeltje
bij het raam zitten en begint zacht voor te lezen uit „Ons Zonneschijntje." Eerst luistert niemand, maar het duurt niet lang
of Lies neemt een kussen en gaat dicht bij Trui zitten en nu kruipt Frans ook zoo dicht mogelijk bij Truitje,
de armen op een voetkussen de beenen rechtuit. En Trui leest steeds verder. Ze leest, hoe Toetsie,
het zonneschijntje van huis, haar ziek zusje weet op te vroo'ijken met leuke verhalen van school en van wat ze
op straat heeft gezien. Eens, toen het zusje van Toets weer zoo bedroefd was, omdat ze dien middag niet eens eventjes
in den tuin mocht wandelen, waar ze toch zoo op gehoopt had, vertelde Toets van drie kleine kindertjes, die voor hun grootmoeder gephotografeerd moesten worden, maar in 't geheel niet stil wilden staan. Tot op het laatst de photograaf ten einde raad
begon te kraaien als een haan. Verschrikt riepen alle drie uit één mond: „O, er is een haan in de kamer,"
en stonden stijf van schrik en — floep waren ze gephotografeerd.

„Wat een leuke photograaf," zegt Frans, „die kon zeker prachtig kraaien?"
„Dat denk ik wel," zegt Trui, ,,en wat nog mooier was, het zieke zusje had zoo'n plezier aan 't verhaal van Toets."
„Ja," zegt Lies, „die Toets was maar wat een knappe dochter, dat die haar zusje zoo wist op te vroolijken."
„Toe, lees nu verder," dringt Frans aan en schuift nog dichter naar Trui.

En als een poos later pa hun drieën vraagt te komen eten, staat Lies met een zucht op. „Hè, wat is het jammer,
dat het nu al tijd is, we zitten hier zoo gezellig. Trui heeft ons zoo heerlijk voorgelezen uit „Ons Zonneschijntje."

„Trui is, dunkt me, vanmiddag voor ons allen een zonneschijntje geweest," zegt pa, „want ze heeft jullie een
heerlijken middag bereid en ma heeft den geheelen tijd lekker geslapen, 't Is wel een heel stille verjaardag geweest
voor mijn oudste dochtertje, maar toch geen treurige," zegt pa 's avonds.
„Ga nu maar gauw naar moeder toe, kleine meid, want ze verlangt erg naar haar jarig dochtertje."

Als Trui een poosje later bij Lies in de slaapkamer komt, zegt ze: „Weet je, wat ma mij heeft beloofd —
morgen mogen we poffertjes bakken en misschien Zondag den rijtoer maken. Dat zijn drie leuke middagen in plaats van één."

 

 

 

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index