Bob, een briefje van oom Karel voor jou. Kom eens gauw. Moeder zal het voorlezen.
Ik ben benieuwd, wat oom je te vertellen heeft."

„Voor mij, heerlijk!" In een ommezientje zat Bob naast moeder op de kanapé.
„Lieve Bob," las moeder, „ik wist niet, wat ik zag, toen de post voor eenige dagen zoo'n leuk briefje van mijn kleinen neef bracht. Moeder had het wel geschreven, maar jij hebt haar toch alles voorgezegd, hè?
Knap, hoor! Prettig, dat je zoo blij was met mijn paardje.
Voorzichtig nu maar, koetsiertje, dat het niet op hol gaat. Wat was ik graag bij je op visite gekomen, dan had ik 's avonds ook op 't ganzenbord gespeeld.
Die Dolf kon zijn pret ook wel op, dat hij zoolang in den put moest zitten en Piet was wel een echt gelukspietje, dat hij tweemaal den pot won.
Wat heb je weer mooie presentjes gekregen. Mij dunkt, den bromtol vind je nog het mooist van al.
Toen ik een kleine jongen was, vond ik ook eigenlijk niets mooier.

 
   

Nu moet ik je toch eens even iets vertellen, wat met mij gebeurd is, toen ik nog op school ging.
Ik had toen ook een mooien tol, misschien niet zoo'n mooien met kleuren, als jij nu hebt gekregen, maar ik vond hem prachtig en deed den geheelen dag buiten school niets liever dan tollen.
Eens was ik zoo aan het tollen, dat ik om geen tijd dacht en — te laat op school kwam.

„Karel, hoe kom je zoo laat?" vroeg mijnheer van de klasse boos.
„Och, mijnheer," antwoordde ik, „hij liep zoo prachtig, ik geloof wel vijf... wel vijf minuten, had ik willen zeggen."

„Wie liep zoo prachtig?" viel mijnheer uit met barsche stem.
Ja, kijk, Bob, doordat ik zelf altijd aan mijn tol dacht, meende ik, dat iedereen mij wel dadelijk zou begrijpen, maar toen ik zag, hoe boos mijnheer keek, zei ik heel zacht.
„Mijn bromtol, mijnheer." Ik dacht toen natuurlijk, dat ik wel zou moeten schoolblijven, of dat mijnheer mij den tol af zou nemen,wat ik wel 't allernaarst gevonden zou hebben. Ik durfde bijna niet opkijken, toen ik op eens
een schaterend gelach naast mij hoorde.

„Kareltje, Kareltje," zei mijnheer en klopte mij op den schouder. „Eigenlijk moest ik heel boos zijn, omdat je om dien tol te laat bent gekomen, maar toen ik zelf een kleine jongen was, ben ik ook eens te laat gekomen, omdat ik niet op tijd wist op te houden met tollen. Ik heb toen school moeten blijven en ik weet nog, hoe bedroefd ik was, omdat ik toen om vier uur uit school niet tollen kon. Daarom zal ik jou voor dezen keer geen straf geven, maar in 't vervolg opgepast, jongetje."

Je begrijpt, Bob, hoe blij ik was. Ik ben nu wel erg nieuwsgierig, hoe die tol van jou er uit zal zien, of dat net zoo eentje is als die van mij vroeger.
Nu, dag Bob. Heel veel groeten van oom Karel.

„Wel, wel, die oom Karel, dat die toch ook zoo heel veel hield van tollen," lachte ma.
„Zeg eens, Bobbie, ik weet iets. We zullen pa vragen, of hij een portretje van jou wil maken, jij met den tol in de hand, dan sturen we dat aan oom Karel en schrijven er onder: „Wiens tol is de mooiste?"
„Ja, ja," juichte Bob, „wat zal oom dat leuk vinden!"

 

 
 
   

Eenige dagen later kwam er van oom een briefkaart terug.
„Lieve Bob," las moeder weer.
„Wat eene verrassing, dat portretje van jou. Wie heeft dat zoo mooi bedacht?
Neen, zoo'n prachtigen tol als dien van jou had ik niet. Maar als jij er eenmaal zoo vaak mee hebt getold als oom Karel met den zijne, geloof gerust, dat dan die mooie kleurtjes er wel af zullen zijn.
Wat sta je parmantig op dat portret. Ik kan best zien, dat je pas jarig bent geweest.

Dag! Oom Karel."

 
   

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index