„Fidel ligt te slapen,
Klein poesje zit te gapen.
Zacht, zacht fluisteren,
Moeder zal wel luisteren.
Moeder moet het vuurtje stoken,
Moeder zal gaan eten koken
Voor haar kindje,
Voor haar vrindje.
Drie grasjes, en een pijpesteel
Van elke soort wel evenveel.
Drie lepels water, drie lepels roet,
Dan blijft haar kindje zeker zoet.
Dan nog een heele hertepoot,
Klein vrindje wordt dan spoedig groot.
Daar komen twee jagertjes, heel vlug.
Ze dragen een weitasch op den rug,
Ze blijven in de verte staan
En hebben roodleeren schoentjes aan.
Van paf, pief, poef,
Van pief, poef, paf,
Nu neem ik gauw mijn pannetje af!"

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index