Nog nooit had de wind zoo'n plezier gehad,
Hij loeide en tierde maar over de stad,
Dan nam hij een hoed, dan een pet een eind mee
En menige struik booghij bijna in twee,
Ja, dakpannen vielen in gruis voor je neer
En de ruiten rammelden met geweld heen en weer,
De menschen zuchtten: „Hoe moet dit toch gaan,
Je kunt op je beenen niet meer blijven staan."
Maar de wind liet hen praten en gierde van pret,
Zoo'n leventje, kijk, dat leek hem nu net.
Zijn wangen blies hij van pret ééns zoo bol
En maakte de molenwieken haast dol.
Ja, hij loeide en tierde langs veld en langs bosch
En raasde en floot met geweld er op los.



En als hij naar de kinderen beneden hem zag,
Dan proestte en gierde hij 't uit van den lach,
Want d' een hield een kapot paraplutje in de hand
En d' andere maakte een buitling in 't zand.
De wind werd eindlijk van 't blazen erg moe
En 't klonk in de verte heel zacht nog: „oe hoe."
Ten laatste hoorde men dat ook niet meer.
„Kijk," zeiden de menschen, „'t wordt waarlijk mooi weer,
De wind is gaan liggen, de zon breekt weer door,
Nu gaan we naar buiten, en wandelen, hoor."


 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index