Liesje zag den laatsten tijd erg bleek en deed niets dan hoesten.
De dokter, die gehaald is en Liesje heeft onderzocht zegt, dat veel frissche lucht en rust Lies beter kunnen maken, maar dat ze daarvoor in haar bedje, vooral flink ingepakt, voor 't open raam moet liggen.
„En dan mogen pa en ma of Riek maar een enkel keertje een praatje met je maken, klein juffertje, veel praten deugt jou niet," zegt de dokter. „Ik kom wel eens gauw weer kijken."

„Ziezoo, kleine meid, ik kom je je boterham brengen, ik heb mijn duffel maar aangetrokken," zegt pa lachend, „om mijn dochtertje op haar buitenverblijf een bezoek te brengen.
Brr, 't is hier koud. Jij ligt maar lekkertjes ingebakerd."

Lies moet lachen, omdat pa daar met zijn winterjas aan en zijn hoed op naast haar bed gaat zitten.
„Heerlijk, pa, dat u komt, ik verveel mij zoo alleen. Ik wou graag beneden in de huiskamer liggen, hier zie je niets."
„Ja maar, vrouwtje, beneden in de huiskamer is 't niet goed voor jou, omdat daar de kachel brandt.
De dokter vindt dit kamertje juist zoo geschikt. Wie weet, hoe gauw je weer beter bent.
't Is toch ook wel leuk, zoo'n eigen kamertje te hebben; want dit is nu jou kamertje."

„Heusch? Net en Door hebben geen eigen kamertje."
„Neen, natuurlijk niet, zulke kleine meisjes hebben dat gewoonlijk ook niet."
„Ik wou, dat ik maar gauw weer beter was," zegt Lies met een bedroefd stemmetje.
„Geduld maar, meisje. Nu, ik moet naar 't kantoor," zegt pa even later, „misschien komen ma of Riek straks wel eens een praatje maken."

Maar als pa weg" en Liesje weer alleen is, duurt het niet lang, of dikke tranen rollen haar langs de wangen.
„Tjilp, tjilp," klinkt het opeens dicht bij haar oor. Lies kijkt verbaasd op en door haar tranen heen ziet ze een aardig grijs vogeltje op 't bloemenhekje zitten.
„Wat toch een snoeperig vogeltje, 't Is, geloof ik, een meesje." Lies heeft de oogen niet van hem af, durft zich niet bewegen. „Wacht, een stuk van mijn boterham zal ik hem geven." Rrrt, weg vliegt de vogel.
„Och wat is dat jammer, hij schrok zeker, als hij nu maar weer terugkomt.

Een oogenblik later daar is hij weer, rrrt, met het stukje brood in den bek vliegt hij weg.
Dat wordt een leuk spelletje tusschen Lies en 't vogeltje.
„Wat is dat? Daar zitten er warempel vier op 't bloemenhekje. Ja, natuurlijk, die stumpers hebben ook honger."
Lies' geheele gezichtje straalt van pleizier. Ze zou het wel willen uitjubelen, maar ze durft niet om de vogels.
„Ze vertellen elkaar natuurlijk van mijn boterham," denkt ze.

„Daar komen er warempel nog meer aanvliegen, nu zitten er wel negen. Wat een drukte en leuk gekibbel onder elkaar!
Ik zal eens brood op mijn deken strooien, misschien komen ze daar wel op, maar neen, ze kijken er wel erg verlangend naar, maar durven toch niet naderen!"
Maar als Lies een paar dagen later weer brood op de dekens legt, waagt werkelijk het meesje, dat 't eerst op het hekje heeft gezeten, nader te komen, hup, hup, op de dekens, hup, hup, op 't laken, dicht bij Liesjes gezicht.
„Och, hoe leuk toch." Vervelen doet Lies zich in 't geheel niet meer, nu ze zooveel en zulke aardige vrindjes heeft gekregen. Wanneer pa, ma of Riek boven komen, heeft ze altijd weer iets nieuws te vertellen.
„Een vink heeft mijn mees een stukje brood voor den neus weg willen pikken, maar mis hoor, mijn mees was hem wel de baas."
„Mijn mees," noemt Lies 't vogeltje, dat 't eerst bij haar is gekomen en zoo leuk over haar deken weet te huppen.

„Hoor je vrindjes buiten eens een drukte hebben," zegt vader eenige dagen later.
„Het zou mij niet verwonderen, of ze kibbelen nóg over het stukje krentebrood, dat jou mees meer heeft gehad dan de anderen.
En jou mees pocht er natuurlijk op, dat hij wel over de dekens durft huppen en zij niet."

„Ik durf wedden," zegt de dokter, die eenigen tijd later bij Liesje komt, „dat, als het verder zoo gaat, als tot nu met mijn patientje, dat ze dan tegelijk met de jonge vogeltjes haar nestje uit mag vliegen."

En als 't eindelijk Lente wordt, het zonnetje zoo heerlijk schijnt, en de vogeltjes hun lenteliedje kweelen, mag Lies werkelijk een poosje met moeder door den tuin wandelen.

't Loopen gaat door 't lange liggen, dat Lies gedaan heeft, eigenlijk maar een beetje ongelukkig, zoodat pa plagend zegt:
„'t Gaat onze Lies als de jonge vogeltjes, die voor 't eerst uit 't nestje vliegen, ze hebben nog een steuntje van de ouden noodig."

En als Lies een week later jarig is, komt Riek met een leuk portretje aan, dat ze zelf gemaakt heeft.
„Van de kindertjes van jou meesje," zegt ze lachend.
„O, Riek, hoe beeldig, dat hang ik in mijn eigen kamertje op."
„Of je gelijk hebt," zegt pa.

 
   

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index