Een leuke Woensdagmiddag.

Maar kinderen, wat zijn jullie verbazend vroeg van school thuis. Ik ben nauwelijks klaar met de koffietafel."
„We hebben heerlijk gehoepeld, moe, je moet dan wel vlug, of je wilt of niet
en dan —"



„Ja, ja, ik begrijp jullie wel, je denkt natuurlijk, hoe eerder we thuis zijn. hoe eerder we gaan."
„Ja," lacht Fien, „hebt u alles al ingepakt."
„Bijna, je kunt mij nog wel even wat helpen, doe in dit zakje maar deze thee. Ik vind die daar in den speeltuin niet lekker.
In dit trommeltje kun je de koekjes doen."

„'k Vind het toch zoo leuk, dat we gaan, moe. Je hebt er een wip, een draaimolen en een schommel."
„Ik 't eerst op den schommel," roept Anneke.
„Waarom jij 't eerst," zegt Fien kribbig".
„Hoort eens, dat zullen we wel zien, als we er zijn," zegt moeder.

„'k Vind het heerlijk, als hij zoo hoog gaat," zegt Fien.
„Hè, waar blijft Jan nu toch. Als hij lang wegblijft, gaan we maar vast, dan moet hij maar nakomen, de middag is al zoo gauw om."

„Koekerekoe, daar ben ik al," zegt Jan. „Gaan we, moe?"
„Zeker, eet maar vlug je boterham op. Kijk, vent, deze tasch kun jij wel dragen zoo meteen.
Meisjes, gauw je schooljurken uit en je netjes gemaakt."

Een oogenblik later zijn allen onderweg.
„Hoera, 'k zie ginds 't uithangbord al, juicht Fien. „Wie er het eerst is," en mét holt ze er heen. Jan en Anneke achter haar aan.
„Gewonnen!" hijgt Fien. In een wip zit ze op den schommel. „Toe, Jan, geef mij een flinken duw."
„Wat ben je zwaar," zegt Jan. „Luister eens, twintig maal heen en weer."
„Ja, dat is best. 't Gaat niets leuk, 'k wou dat pa er was, die kan je zoo heerlijk aan den gang maken."

„Wil ik eens helpen?" vraagt een groote jongen, die juist van de wip afkomt.
„O, graag."
„Ben jij bang voor slappe touwtjes?"
„Neen," lacht Fien. — Heerlijk ging 't nu. Soms was ze wel even bang, maar dat wou ze niet weten.
De schommel ging nu zoo hoog en vlug, dat Jan er bijna niet meer bij kon.

„Hoe vervelend, dat Jan en die groote jongen na Fien nog een beurt moeten hebben, dan komt het nooit aan mij toe," denkt Anneke. „Ik weet wat," zegt ze in zichzelf, „ik ga op 't kleine schommeltje achter in den tuin, daar ben ik dan heelemaal alleen baas over."

„Ik geloof, dat ma ons roept," zegt Fien, terwijl ze Jan, die op den schommel zit, nog een duwtje geeft.
„Toe, houd den schommel dan even stil," zegt Jan.
„Nee-ee, dat doe ik nu eens niet," roept Fien plagend, „zie maar dat je er af komt." Onder het wegloopen roept ze nog:
„Ik kies gauw het lekkerste taartje uit, je weet wel, dat, waarop zoo'n toren van schuim zit."

Jan wordt boos, maar Jaap, de groote jongen, komt hem te hulp.
Als Fientje bij moeder komt, zit Anneke daar al heel genoeglijk en heeft warempel Fiens geliefdkoosd taartje al op een schoteltje staan. Dat valt Fien tegen.
„Net goed," zegt Jan tegen Fien. „Jij behoeft niet 't eerst van 't een en 't lekkerste van het andere te hebben."
„Dat vind ik ook," zegt ma, „en daarom mag jij nu eens 't eerst kiezen, frambozen of citroenlimonade."
„Frambozen, moes, hm heerlijk!"

Na een kwartiertje hebben allen hun taartje en glas limonade al op. Jaap heeft ook meegesmuld.
„'t Is nu Jaaps beurt," zegt Fien. Jaap voert allerlei kunsten uit op den schommel. Jan en Fien zijn in eene bewondering.
„Kinderen, nu wordt het werkelijk onze tijd," zegt moeder, nadat allen nog een geruimen tijd hebben gespeeld.
„Hè," zegt Fien zuchtend, „wat is het toch jammer, dat juist de prettigste middagen 't gauwst voorbij gaan."
En dat vinden Anneke en Jan ook.

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index