„Hoezee, hoezee, hoezee!
Wie zingt er met ons mee?
Wij allen zijn verheugd en blij,
De koude winter is voorbij.
Nu kunnen we buiten spelen,
Waar duizend vogels kweelen,
Waar 't koetje loeit,
De meidoorn bloeit,
Het haantje kraait,
De landman zaait.
Daar kunnen wij zingen,
Daar kunnen wij springen.
Hoezee, hoezee, hoezee!
Wie juicht er met ons mee?

Kom, Grootmoe, gauw de voordeur uit.
Hoor, hoe de lijster buiten fluit.
Zie 't veulen dartelen over 't gras,
Het vischje spartelen in den plas
En hoor het poesje spinnen.
Wie blijft er nu nog binnen?
Het zonnetje schijnt overal.
Klein zusje, speel maar met den bal.
Wij nemen touw en hoepel mee.
Hoezee, hoezee, hoezee!
Wie jubelt met ons mee?

De reiger nestelt in het riet,
De zwaluw zingt zijn welkomstlied.
't Sneeuwklokje steekt haar kopje op,
't Haasje buitelt haast over den kop.
Het vlindertje fladdert van bloem tot bloem,
Het bijtje, dat gonst er zoem, zoem, zoem, zoem.
Kom mee, kom mee naar de heerlijke wei,
Waar Meizoentjes kleuren,
Viooltjes geuren,
't Is alles zoo vroolijk, zoo zonnig, zoo blij,
De lente is gekomen, de winter voorbij!"


naar inhoud gelukkige uurtjes naar index