Lena en Bob

Moeder, ik neem Bob mee."
„Ja, maar werkelijk, kindje, je zult zien, er komt een bui, zie die wolken eens."
„Maar moes, Bob en ik kunnen er tegen. Ik doe mijn langen mantel aan met mijn hoed, die zoo heerlijk om de ooren sluit en Bob houdt zijn daagsche pak aan en u weet, dat kan er tegen."

„Ja, ja," lachte moeder, „jij bent een kleine advokaat, dat merk ik wel. Nu, als je dan zoo graag wilt, ga dan maar gauw, misschien ben je dan nog vóór de bui bij tante, als je maar zorgt, dat je weer op tijd thuis bent."

„Kom, Bobbie, we gaan naar tante Sien op visite, kom dan, oude jongen."
„Dat lijkt Bob wel. Hij huppelt en keft om Lena heen en trippelt zoo voor haar voeten, dat het werkelijk niet veel had gescheeld, of Leen was voorover gevallen.

't Is een groote wandeling, maar Leen en Bob houden allebei van wandelen en — houden allebei van tante Sien.
En wat nog wel het mooiste is, tante Sien houdt van Leen en Bob. Dat tante van Leen houdt, vindt Lena natuurlijk prettig, maar dat tante ook van haar lieveling Bobbie houdt, vindt ze bijna nóg prettiger.
Juist daarom gaat ze zoo heel graag naar tante toe, want als Lena uitgaat, neemt ze liefst Bobbie mee.
Een paar keer, toen ze uit logeeren is geweest en Bob thuis is gebleven, heeft de arme hond toch zoo stumperachtig altijd voor het raam naar haar uitgekeken en jankte hij bij tijden zoo erbarmelijk, dat men medelijden met hem kreeg.
En pas was Lena thuis, of Bob was 't vroolijkste en vlugste hondje, dat men zich denken kan.
„Ik ga nooit weer alleen uit logeeren," heeft Leen na den 2en keer gezegd, toen ze bij haar thuiskomst hoorde, dat Bob bijna niets had gegeten, „als ik Bob niet mee mag nemen, blijf ik liever thuis."

„Wel, wel, kindje kom je daar toch aan?" roept tante Lena in de verte al toe, „daar ben ik blij om.
Ik was een beetje bang, dat je niet zoudt komen, want het ziet er buiten uit, of we onweer zullen krijgen en 't is een heele wandeling hier naar toe."
„'k Vind het veel te leuk om naar u toe te gaan, tante en Bob ook," lacht Leen.
„Gezellig, datje er bent. Stil Bob, niet zoo keffen; ja, straks krijg jij je koekje."
„Hij weet het al, tante, dat u hem verwent."
„Ja, dat weten ze al gauw. Dan moet je Miekie zien. Als ik het theeblad op tafel zet, springt poes direct er ook op.
Ze hoort het rinkelen van de kopjes zelfs in de keuken."

„Probeert u 't eens," lacht Lena.
„O, o, jij bent me ook een slimmertje," lacht tante. „Je hebt zeker ergen trek in een kopje thee, is 't niet zoo?"
„Nu, of," zegt Leen.
„Dan zullen we maar gauw een blaadje krijgen, 't Is juist zoo'n middag er voor."
„Hè ja," zegt Leen genoeglijk, „'t Is buiten zoo donker," en als een oude dame vleit zij zich heerlijk in een grooten stoel bij het raam.

„Ik begrijp niet, dat Miekie nog niet komt," zegt tante en rammelt eens extra met de kopjes.
„Misschien is ze buiten in den tuin."
„Nu, we zullen maar niet op haar wachten, de dame zal zich wel aanmelden."
„Hè, tante, wat zit het hier toch knus, zoo met dat transparant theelichtje.
Zeg, Bobbeljoris, jij wilt wel zoo, met de vrouw uit. Hij voelt zich hier al heelemaal thuis."
„Kom, nu zullen we Bob zijn kopje thee geven, ik begrijp het best, jij kwispelt niet voor niets met je staartje," zegt tante en legt een courant op de tafel, waarop ze een schoteltje met melk zet.
„Neen, Bob, dat weet je wel, eerst vriendelijk vragen," zegt Lena, als de hond dadelijk met het schoteltje met melk wil beginnen. Zijn kopje scheef, zijn pootjes op den rand van de tafel, kijkt Bob met leuke smeekoogjes naar tante.
„Prachtig, hoor, jij bent een heel beleefd hondje," zegt ze, „drink nu maar gauw je kopje thee op."
Dat laat Bob zich geen tweemaal zeggen.

„Wel, verbazend, wat zet de wind op," zegt tante een poosje later. „Kijk die boomen eens zwiepen."
„Als 't maar niet gaat regenen, want een parapluie heb ik niet."
„Die zou je toch onmogelijk op kunnen houden, hij zou zeker kapot waaien. Hoor 't eens in den schoorsteen bulderen."
„Nu, we kunnen er gelukkig' allebei tegen, Bobbie en ik," zegt Leen vroolijk.

„Ziezoo, tante, nu moeten we toch ook werkelijk gaan," zegt ze een poosje later, „anders komen we te laat thuis."
„Ja, kindje, het wordt je tijd, brrr, wat klepperen de ramen."
„Gaat u maar niet naar de voordeur."

„Ik moet eens even weten, of Miekie in den tuin is. Ik begrijp niet, waar ze zit."
Poes heeft zeker al een geheelen tijd bij de voordeur zitten wachten, want bij het openen wipt ze met een hoogen rug en kirrend geluidje naar binnen.
Door 't huilen van den wind heeft niemand haar klagend miauwen gehoord.
„Ja, Miekie, hoe moet dat nu, ik heb al thee gedronken met de visite, wat doe je ook in zulk weer buiten.

Wel, wel, ik kan de deur bijna niet tegenhouden.
Gelukkig, kindje, dat jij den wind achter je hebt. Je zult, of je wilt of niet, wel op een holletje naar huis moeten loopen en ik raad jou aan, Bobbie maar op den arm te nemen, ik ben anders bang, dat de wind hem als een veertje in de vaart blaast."
„Daar zullen we voor oppassen, hè Bob, dat zou al te treurig zijn. Kom maar gauw. Ik sta op mijn twee beenen steviger dan wij samen op onze zes.
Dag tante, gaat u maar gauw naar binnen, anders snoept poes alle melk nog uit het melkkannetje.
Bob en ik danken u nog wel voor den lekkeren middag, hoor en voor het lekkere kopje thee."
„Kom maar eens gauw terug, brr, wat een wind, da-ag," flap, viel de voordeur dicht.
Lena met Bob op den arm moet, of ze wil of niet, op een sukkeldrafje loepen, zoo drijft de wind haar voort.
Maar dat is warempel goed ook; want nu komt ze nog juist op tijd thuis.

 

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index