Dat was een moeilijk geval. Marijke, die altijd met de ganzen naar het veld ging', was ziek geworden.
Wie moest de ganzen nu hoeden? Grootmoeder wist het werkelijk niet. Dat nu Marijke ziek moest worden.
Marijke, die zoo aardig met de ganzen wist om te gaan, die precies wist aan te wijzen, welke gans koppig was, welke altijd het zijpaadje in wou slaan naar 't bosch en welke zij in 't oog moest houden, omdat zij altijd wou vechten met de gans met de grijze vleugels.

Niemand zag eigenlijk verschil tusschen de eene gans en de andere, maar Marijke wel.
Zij had ze op haar manier allen een naam gegeven en als een ander zei:
„Zeg eens, Marijke, een van jou ganzen is ginder op mijn erf," dan zei Marijke dadelijk:
„O, dat zal Puffie zijn, — die houdt er nog al eens van, den boel bij een ander te bekijken."
Of zei men: „Marijke, een van jou ganzen loopt in het hondenhok," dan was 't dadelijk: „O, Poet zeker."
En nu was Marijke ziek en zat Grootmoeder in verlegenheid.
„Als ik maar iemand wist," peinsde ze, „die mij zou kunnen en willen helpen.

Wacht eens," overlegde ze bij zichzelf, „misschien zou Peter van boer Jansen het wel willen doen."
Grootmoeder er op af en gelukkig, Peter ging dadelijk mee.

„Zijn het geen prachtdieren?" vroeg Grootmoeder trotsch, toen Peter met de geheele bende klaar stond om uit te trekken, „en loos, dat ze zijn!"
Peter lachte. Hij kende grootmoeder wel, die, als ze over haar ganzen begon, vooreerst niet was uitgepraat.

 

 
 
   

„Nu moet je toch eens begrijpen, wat er verleden Zaterdagnacht gebeurd is.
Je weet, dat we Hektor niet meer hebben en dat we daarom altijd, vóór we naar bed gaan, alle ramen en deuren nogeens goed nazien, of ze wel gesloten zijn.
Nu dan, Marijke en ik lagen al meer dan een uur te bed, toen Marijke op eens riep: „Grootje, ik hoor loopen op het kiezelpad."

Nu, je begrijpt, we zaten allebei opeens kaarsrecht in bed. Marijke wou 't bed uit, maar ik hield haar tegen.
Ik zei: „'t Is nog beter, dat de dieven mijn geld stelen, dan dat ze jou kwaad doen."
Maar je begrijpt, hoe angstig we waren. En natuurlijk dachten we allebei: hadden we Hek nu nog maar, die zou door zijn blaffen de dieven wel op de vlucht jagen.
Toen opeens, daar beginnen me de ganzen een leven te maken van wonder en geweld en op hetzelfde oogenblik hooren we twee mannen haastig wegloopen. Marijke wipt 't bed uit om te kijken, jawel, daar liepen ze in een draf 't erf af —
door onze gansjes op de vlucht gejaagd."
„Prachtig, prachtig!" lachte Peter, maar hij zei niet, dat hij dit verhaal al voor de derde maal hoorde.

„O, daar roept Marijke me, geloof ik. Goed op mijn beestjes passen, hoor!"
„Ja, ja, wees maar gerust," en Peter liep met de ganzen door.
„Dag Pé," hoorde hij opeens Fritsje van den dokter zeggen. Waar ga je heen?"
„Ik ga met Marijkes ganzen ginds naar het veld. Marijke is ziek, weet je?
Maar jij lijkt wel een echt soldaat met je trommel en sabel."
„Ja, ik ben soldaat," zei Frits en zette een verbazend parmantig gezicht.
„Dat kan ik wel zien. Jij bent natuurlijk zoo met dien sabel voor niets en niemand bang."

„Neen," zei Frits, „voor niemand en ging met den pink op den naad van den broek staan.
„En kijk eens, wat een mooie trommel ik heb."
Romberdebomberdebom gingen de trommelstokken en toen marcheerde Frits op de maat van zijn trommelen om den hooiberg heen.
„Sapperloot, dat gaat kranig hoor! Dat zie ik wel, als ik ooit in gevaar mocht komen, dan behoef ik jou maar te roepen met je sabel op zij."
„Ja, zei Frits met een stem als een klok. „Ik durf ieder wel aan, hoor!"
„Nu, tot straks, soldaatje, ik moet nu gauw verder met mijn ganzen."

Ongeveer tien minuten, nadat Peter met de ganzen was weggegaan, gaf Frits een gil van schrik; want vier ganzen waren ongemerkt teruggeloopen en kwamen kwakend op het kleine ventje af.
Fluks gooide Frits de trommel af en holde angstig een trap op, die tegen den hooiberg aanstond.
Een paar keer probeerde hij wel, als de ganzen zich een eindje verwijderden, weer af te dalen, maar zoodra niet de beesten hun halzen uitrekten, of naar Frits keken, holde hij weer eenige sporten hooger en zoo vond Grootje een kwartier later — ons moedig soldaatje.

Toen Peter dien avond met de ganzen terugkwam, was grootmoeder alles behalve vriendelijk en keek Peter ook wel wat beschaamd, maar toen ze hem vertelde, hoe Frits boven op de trap gevlucht was voor de ganzen, toen schaterde Peter het uit.
„Zoo'n soldaatje, zoo'n kranig soldaatje!"
„Ja maar," zei grootmoeder, „als jij op mijn gansjes gepast had, zooals het behoorde, dan had de soldaat niet behoeven te vluchten.

Zal ik eens zeggen, waar ik blij om ben," vervolgde ze, „dat mijn Marijke weer zooveel beter is, dat ze morgen zelf met haar gansjes er op uit kan."
„Wel dan zijn we allemaal blij," lachte Peter, „want Marijke is natuurlijk óók blij, dat ze er weer op uit kan met Puffie, Poet en hoe die andere dieren mogen heeten.
De gansjes vinden 't heerlijk, dat Marijke morgen met ze mee gaat. Frits, onze soldaat, slaat van blijdschap een roffeltje op zijn trom, omdat hij niet weer zal behoeven te vluchten, wat voor een soldaat ook allesbehalve mooi staat en ik ben blij — omdat ik geen brommen weer zal krijgen."

„Jou deugniet," lachte Grootje en sloeg Peter op den schouder.
„Zeg eens, knappe ganzenhoeder, kom straks maar eens een kopje koffie bij ons drinken, hoor!"
„Alsjeblieft," zei Peter lachend, „dat doe ik ook wel zoo lief, als op je ganzen passen."

 

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index