Moe, wanneer komt oom Bram nu toch? Oom heeft toch beloofd, dat hij zou komen.
Oom kan altijd zoo mooi vertellen van de zee en de schepen.
Is het waar, moeder, ligt onder in de zee een heel, héél groot stuk zeep,
een reuzenstuk, en schuimen daar door de golven zoo? Dat zegt oom Bram."
„Ja, als oom Bram dat zegt, zal het wel zoo zijn; want oom is bijna altijd op zee
en weet er dus alles van."
„Oom zei ook, dat, als een schoorsteenveger vijf minuten op den rand van de boot gaat zitten,
zijn zwart pakje met één golfslag door 't schuim in een wit wordt omgetooverd."
„Dan zullen we Griet daar eens op zetten, als ze de kachel heeft gepoetst," lachte moeder.
„Maar ik geloof, dat oom een echte grappenmaker is."
„'k Wou, dat oom nu maar kwam," zuchtte Jaap.
„Ik kan mij begrijpen, dat je naar oom Bram verlangt, als hij zulke mooie verhalen doet."

 

 

Tingelingeling.

„Wat zou dat zijn? Misschien oom. Bram wel."
Joop holde naar de deur.
„Als 't u blieft, kleine baas, een pak voor Joopje Schuurman."
„Voor — mij?" stotterde Joop.
„Als jij Joopje Schuurman heet, ja, dan is dit groote pak voor jou," lachte de man.

„Moe — voor mij — dit pak is voor mij," juichte Joop, toen hij hijgend met een kleur als vuur in de kamer kwam.
„Wat is dat? Zoo'n groot pak! Oom Bram zal toch niet in een postpakketje bij ons komen?"
„Maakt u het maar gauw open." Floep werden de touwtjes losgemaakt, een paar zelfs door Joop losgeknipt.
Die oogen van Joop, toen er uit dat pak een beeldig bootje kwam met zoo waar een groot wit zeil er op.

 
   
 
   
„Van wien denk je, dat het komt?" vroeg moeder, toen ze Joops verrukt gezichtje zag.
„Van oom Bram," zei Joop dadelijk.
„Goed geraden, maar luister eens, wat oom schrijft: „Het spijt mij wel, maar ik kan onmogelijk komen logeeren."

„Komt — oom — niet?" Heel Joops vroolijk jongensgezichtje betrok.
Neen, maar luister eens, wat oom verder schrijft:
" Nu ik niet bij mijn vrindje kan komen, vraag ik, of hij den volgenden zomer bij mij komt logeeren,
hij moet zijn bootje dan maar meebrengen, ik heb ook nog een groote boot, daarin mag Joop dan
met Truus of Annie, mijn buurtvriendinnetjes, uit roeien gaan."
 
   

 

 

„Is 't gauw zomer en mag ik dan naar oom toe?"
„Zeker, hoor, maar je moet nog wel een poosje geduld hebben, want zoo heel gauw komt de zomer nog niet."

En toen eindelijk de zomer kwam, was Joopje ziek. Wat was dat eene teleurstelling voor hem,
dat hij niet naar oom kon gaan. De pret moest toen een jaar worden uitgesteld.
Moeder vond dit niet zoo naar als Joop; want eigenlijk vond ze Joopje nog wel wat klein
om met andere kinderen uit roeien te gaan.

Maar toen het weer zomer werd. — Hoera! — Joop kon van plezier den morgen, voor hij naar oom ging,
bijna geen boterham eten. En een paar dagen later schreef hij naar huis:
Moe, wat is 't hier leuk. Ik heb gisteren heerlijk in de boot gezeten. Trui roeide, wat zegt u daar wel van? Knap, hè moe?
Oom zegt, dat Trui een echte zeerob is. Zij is eigenlijk veel sterker dan Piet, haar broertje.
Het zusje van Trui, Annie, zit ook veel liever in een boot dan dat ze met haar poppen speelt.
Zij is vriendinnetje met alle zeelui, die ze maar ziet en kan bijna nog mooier vertellen dan oom, want ze onthoudt alles,
wat de zeelui haar vertellen. Morgen gaat ze met ons mee. Nu, dag moeder.
Oom vindt, dat ik mijn bootje keurig bewaard heb. Straks zullen we het in 't water laten.

 

 

 

 

 

Dag Moe.
Joop.

 

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index