Voeten vegen, voeten vegen, als 't je blieft. Gauw een, twee, drie, terug,
is me dat naar binnen komen stuiven."
„Ja, maar...!"
„Geen maren; watje te vertellen hebt, zal ik straks wel hooren."

Drie jongens holden terug. Zes voeten werden met veel drukte en lawaai
op de mat afgeveegd.
„Moeder, als je allen omgooit en de koning blijft staan, hoeveel is dat?" vroeg Dirk.
Moeder proestte het uit. „Ja, beste jongen, nu weet ik toch werkelijk niet, wat je bedoelt, maar hang eerst je pet op den stander en jij ook, Piet, wie komt er nu met een pet op in de kamer?"

„O, daar is vader! Vader, als allen vallen en de koning blijft staan, hoeveel punten krijg je dan?"
„Een koning, die staan blijft, als allen vallen? Neen maar, dat vind ik een verbazend knappen koning,
die verdient een medaille," lachte vader.
Piet en Dirk schaterden het uit. „Och nee, toe, zegt u 't nu," zei Jan.
„Wij bedoelen natuurlijk den koning van het kegelspel."
„Ja, hoort eens, dat moet je maar aan andere jongens vragen."

„Vader, Piet gooide drie en den koning en toen ..."
„Dat is nietes, het waren er vijf."
„Nu, nu, als 't je blieft niet gaan kibbelen hier in huis, dat moeten jullie maar met elkaar uitmaken buiten.
Zoodra de boterham op is, kun je weer gaan spelen."

„Weetje wat? Laten we zóó doen: Wie 't verliest, moet tracteeren," stelde Dirk voor.
„Ja, leuk," riep Dien, dan doe ik ook mee. Ik ben dan kegeljongen."
„Je ziet er nog al echt jongensachtig uit met je lange vlecht," lachte moeder.
„Hoera, ik ben klaar. Komt, jongens, ga je mee?" riep Jan.
't Is jou beurt om op te zetten, Piet," zei Dirk, toen allen bij de kegelbaan waren.
„Wat een leuk bankje, daar ga ik op zitten," zei Door.

 
   
 
   

„Dan mag jij je wel goed vasthouden, anders tuimel je nog met 't heele ding achterover; want het staat erg onvast.
Kijk, daar komt Peter van boer Gerritsen aan. Zeg Pé, we gaan kegelen,
doe je mee?"
„Ja, graag, maar ik kan er eigenlijk niets van."
„Als je 't verliest, moetje tracteeren," riep Dien.
„Tracteeren? Waarop?" „Dat mag je zelf weten."
„Nu, best, hoor."

Daar begon 't spel. Dirk moest eerst. Dien had het maar druk met tellen, opschrijven en met het opzetten van de kegels.

 
   
 
   
Piet, Dirk en Jan waren Peter gauw vooruit.
„Jij komt met je lange beenen toch maar leelijk achteraan," plaagde Dirk hem.
Peter lachte. „Sst, jongens, uit den weg, ik zal nu eens alle negen pakken."
Rrrt — daar ging de bal.
„Die gaat mooi, die gaat prachtig!" juichten de anderen opgetogen.
 
   


 

 
Maar wat was dat? even vóór de kegels, floep, vloog de bal rechts af en in een vaart een eind het grasveld op.
„Dat is jammer," zei Dirk, „dat had ik niet gedacht."
„Neen, hij ging er zoo prachtig op af."
„Ik leer het, geloof ik, nooit," zei Peter. „Jullie hebt het eerlijk van mij gewonnen, zeg nu maar eens, waarop ik zal tracteeren."
„Neen, dat moet je zelf maar bedenken."
„Weet je wat, dan tracteer ik jullie morgen op een ritje met den hooiwagen naar 't land."
„Hoera! riepen alle drie. „Waar is Dien?"
„Dien is naar huis gegaan. Moeder riep haar. Komt mee, dan zullen we 't haar gauw vertellen. „Hoera!"
 

 

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index

© jenneken