Een dom Haasje
en een verstandig Paardje.

Heisa, hopsa in een draf
Holde Bruin den heuvel af,
Maar o wee, bij gindschen boom
Trok Bibi stijf aan den toom.
„Stil, mijn bruintje, kijk, een haas."
Bruintje dacht: „Dát is een baas."



Bibbi in den boom heel vlug,
Zag slechts 't haasje op den rug,
Dacht: „Ik grijp het bij den staart."
Langoor sprong toen in een vaart
In het rijtuig, dat daar stond.

Haasje, och, wat ben je dom,
Nooit zie je de hei weerom.
Weet je, langoor, wat ik doe?
'k Breng je gauw naar Bibi's moe.
'k Rijd dan naar de hei heel vlug,
'k Breng mijn baasje mee terug."

Bibi keek bedroefd in 't rond.
Want geklommen in den top
Zag hij Bruintje in galop.
't Paardje dacht: „Ja, zoo'n koetsier
Rijd ik een, twee, drie van hier.

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index