Ziezoo, jongens," zei boer Gerritsen, „nu moeten we de kooltjes in den grond zien te planten.
De touwen zijn gelukkig al gespannen, naar ik zie. Dat is goed ook; want mijn oude rug kan niet zoo goed meer tegen het bukken als die van jullie en er valt nog heel wat te doen, vóór alles in den grond zit.
Vooral 't gat flink diep maken, de kool mag maar even boven den grond uitkijken."

„Zeg, vader, zit de ekster nog bij u?" vroeg Arend.
„Ja, ja, natuurlijk, die moet overal bij zijn," lachte vader.
„Als hij zoo meteen maar niet op mijn rug kool begint te planten. Hij wil nu eenmaal alles nadoen.
Ja, als hij werkelijk den boer de kunst afkeek, dan zou hij nog eens een heerlijke hulp zijn, maar hij weet het altijd zoo gek te bedenken."

„Zeg eens, boer Gerritsen," riep Dora van den dominee uit de verte den boer toe.
„Zoo meteen vliegt Hans nog op je rug. Kijk hem eens kijken."
„Ja, hij kijkt altijd naar dingen, waar hij niets mee noodig heeft."

 

 

„Ik geloof vast, dat hij alweer met een ondeugend plannetje rondloopt," lachte Door.
„Ja, dat kon wel eens zoo wezen. 't Is nooit veel goeds, wat de kleine schelm uitricht, maar 't is toch gezellig, zoo'n vogel om je heen te hebben, wat zeg jij, Hans?"
„Man, 't 'eten staat op tafel," was het antwoord van den ekster.

Dora schaterde het uit. „Wie heeft hem dat geleerd?"
„Dat heeft hij van mijn vrouw afgeluisterd."
„Wat is dat leuk. Nu ik moet het dorp nog in. Dag boer Gerritsen, dag Arend, dag Piet!"
„Dag Dora."

Dora huppelde vroolijk verder en de boer werkte met zijn beide zoons ijverig voort; want er moest nog heel wat geplant.
„Hans is zeker weer op de musschenjacht," zei de boer na een tijdje.
„Of hij is naar moeder gevlogen," zei Arend, „ik zie hem tenminste hier niet. Als hij maar niet...."

Maar voor Arend den zin had uitgesproken, hoorde hij Dora roepen, nog hijgende van 't harde loopen: „O, boer Gerritsen, wat Hans nu weer heeft uitgevoerd, o, o!
't Is eigenlijk vreeselijk, maar ik kan toch mijn lachen er niet om laten. Ma is eigenlijk héél boos op jou Hans."

„Vertel toch gauw, wat er gebeurd is," zeiden alle drie verschrikt. „Heeft hij soms weer een zilveren lepeltje weggestopt?"
„Neen, hij heeft ook kool willen planten net als julle."
„Kool willen planten?" klonk het uit drie monden tegelijk.
„Ja — op ma's borduurraam,dat voor het open raam van de huiskamer stond. Hans is daar naar binnen gevlogen, dat doet hij wel meer, zooals je weet. En heeft me die deugniet niet bijna in alle bloemetjes gepikt?
't Werk is voor een groot deel bedorven."
„Wat spijt mij dat, wat spijt mij dat, dat mijn Hans dat heeft gedaan! Moeder heeft hem toch, hoop ik, met een stok weggejaagd, dien deugniet!"
„Ja, natuurlijk heeft ma hem weggejaagd, dien deugniet! Maar brutaal, dat hij keek! Och ja, eigenlijk gezegd, wist hij toch ook niet, dat hij zoo ondeugend was geweest. Eksters hebben nu eenmaal geen verstand van borduurramen."
„Neen, dat hebben ze niet," zei de boer lachend.

„Eerst bleef Hans in de buurt op de vensterbank zitten en toen vloog hij" — en weer schaterde Dora 't uit — „neen maar, als jullie zijn gezicht gezien hadden!"
„Over wiens gezicht heb jij 't nu weer?" vroegen alle drie tegelijk, terwijl ze Dora vol verbazing aanstaarden.
„Wel, over Juun. Hij en Juun zijn immers zulke goede maatjes."
„Wat heeft hij Juun nu weer gedaan?"

„Juun stond rustig te eten, dacht aan geen ekster, daar vliegt me op eens Hans midden in zijn bord.
Juun schoot achteruit, hij wist werkelijk niet, wat er gebeurde. Een drukte, dat die ekster had, 't eten spatte naar alle kanten.
O, 't was om te gieren, een poosje later, toen Juun van den schrik bekomen was, zaten allebei rustig te eten, als twee trouwe kameraads."

„Wel, wel, die vogel toch," zei, boer Gerritsen, „is een echte kwajongen, hoor."
„Nu, óf hij," lachte Door. „Wie weet, wat hij nu op 't oogenblik weer uithaalt. Je kunt hem geen oogenblik vertrouwen.
Ik ga gauw eens kijken.
Da-ag!"

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index