Grootmoeders Gansjes.

„Lizette, Lizette!"
„Ja, Grootmoeder, ik kom!"
„Lizette, luister goed, omdat je mij gisteren zulke heerlijke oliekoeken hebt gebracht, geef ik je mijn allerliefste gansjes, Loulou en Lili present."
„Maar Grootje!"
„Maar dit zeg ik je, kindje, zorg goed voor hen; want het zijn een paar bijzondere dieren, zag je ooit zulke mooie oogen als mijn Loulou en ooit een met zulk een prachtsnavel als mijn Lili, ooit een met zulke sierlijke vleugels?"
„Neen, grootmoeder, nooit."



„En dan die stem van Li! Weetje wel, kindje, waarom het verleden week zonsverduistering was? ik zal het je vertellen.
De zon vergat te schijnen, toen ze die prachtstem van Li hoorde en de wolken begonnen te schreien, zóó mooi, zoo heerlijk mooi, kwaakte Lou.
En de kip van buurman Sijmen legde een ei, wel tweemaal zoo groot als anders, alleen omdat ze Li en Lou's prachtige geluid hoorde."
„Ja, Grootmoedertje, ja. —"



„Hoor verder, Lizette.
Loulou en Lili zijn gansjes, maar domme gansjes zijn het niet, dat zul je ondervinden, zoodra je mijn lievelingen beter kent, maar ga nu heen, Lizette, ga nu naar huis. Het afscheid valt mij zwaar, héél zwaar.
Och, kijk toch, hoe Lili mij aanziet en Loulou zijn hals uitstrekt voor een laatst vaarwel,arme lieve dieren.
Maar hoe beef je zoo, Lizette?"
„Lili en Loulou zijn zoo zwaar, grootmoeder."
„Ja, Lili en Loulou zijn groote dieren.
Zag je ooit vetter — maar ga nu, kindje, ga en rust wat uit bij gindschen boom, ik ga in mijn huis. Dag, Lizette."
„Dag, grootje!"



„O, Loulou, foei, wat zie ik, eet je een worm en Lili, wil jij ook uit de mand? Toe dan maar, toe dan maar, mijn beestjes.
Ziezoo, nu heb ik je stevig vast, vooruit, mijn schimmeltjes, vooruit, daar ginds wacht vader ons."
„Kwak, kwak, kwak."



„Wat nu, wel heb ik ooit van mijn leven. Willen jullie terug? Weet je dan niet, dat grootmoedertje je aan mij gaf, omdat ik zulke heerlijke oliekoeken voor haar bakte.
Vooruit, deugnieten, een, twee, drie, omgekeerd. Wat? Doen jullie 't niet? dan zal ik je leeren!
O, wee, Lou, Li, help, help, moeder, vader, grootje, help! o, o, och, och, help —!



Wat is dat? Waar ben ik? Zit ik hier op — op — een hooiberg? Bij grootmoeders huis? En waar zijn Lou en Li.
O, daar hoor ik ze, ja, daar hoor ik ze kwaken, als er nu maar geen zonsverduistering komt, zooals verleden week, of dat 't gaat regenen. Mijn mooi japonnetje zou heelemaal bederven.
Ach, nu herinner ik me alles weer, daar is grootmoeders huis, daar staat grootje zelf en warempel Li en Lou naast haar.
En grootmoedertje moest nog wel zeggen, dat Li en Lou geen domme gansjes waren."

 
   

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index