Paatje."
„Ja, wat is er, kindje?"
„Wanneer krijg ik nu eens een zusje of een broertje? Ik wil zoo graag" iemand hebben, om mee te spelen.
Ik ben altijd zoo alleen."
„En ma en ik dan?"
„Nu ja, maar ik kan met u toch niet „kruip door, sluip door" spelen, of — of, u vindt toch ook niet prettig met mij poffertjes te bakken, of met mij achter in den tuin een groote zandhoop te maken en er dan af te rollen, zooals ik van de duinen
in Noordwijk heb gedaan, of op den tuinmuur te klimmen."
„Neen, dat kan ik nu eenmaal niet zoo heel prettig vinden. Poffertjes bakken zou mij nog het beste lijken."
„Ja, maar dan gaat u ze misschien onder het bakken opeten, zooals Dolf van hiernaast, toen hij met Leida en Toosje speelde.
Leida zegt, dat broertjes eigenlijk heel vervelende jongens zijn, omdat ze altijd hun zusjes plagen."
„Nu, dan is 't maar goed, dat wij hier niet zoo'n broertje hebben, dunkt me."
„Nu ja, maar er zullen toch ook wel aardige broertjes zijn, denkt u ook niet?"
„Dat geloof ik wel," lacht pa, „maar hoor eens, vrouwtje, moeder doet toch ook wel allerlei spelletjes met jou."

„Och ja, maar gisteren speelden we met het poppenledikant. Ma was kind en ik moeder, maar denkt u nu, dat moes in 't ledikantje wou kruipen?"
„Dat zal ze toch ook wel moeilijk hebben kunnen doen. Dat kan jij beter."
„Jawel, maar als je altijd kind bent, dan wil je toch ook wel eens moeder en baas zijn."
„Dat kan ik mij begrijpen. Kijk eens, ik kan je wel geen broertje of zusje bezorgen, maar deze mooie boeken, wil je die soms bekijken?"
„O, heerlijk, paatje, maar waar zal ik ze neerleggen? Op de tafel is geen plaats. Ha, 'k weet iets," plof, Erna op den grond met het boek voor zich.
't Werken is voor pa gedaan; want Erna doet wel honderd vragen. 't Eene oogenblik moet ze weten, hoe je een olifant kunt photografeeren en 't ander oogenblik, hoe die man daar op de plaat blind is geworden.

 

 
   

„En nu heb ik je iets te vertellen, waarvan in al die boeken niets staat," zegt pa den volgenden dag als Erna weer bij hem op de studeerkamer is.
„Is 't waar gebeurd?"
„Het zal, denk ik, wel gebeuren."
„Toe, papperlepap, vertel u het eens gauw," zegt Erna ongeduldig en kruipt bij vader op schoot.

„Ja maar er komt van een broertje in."
„Nu, dat is niets, zegt u 't maar."
Zojuist is er een brief van oom en tante van Alfen gekomen, of 't goed is, dat Herman hier een weekje komt logeeren."
„Heusch? En? Hebt u al geschreven, dat we't dol vinden?"
„Ja, maar zie je,'t is een broertje en Leida zegt toch, dat broertjes eigenlijk vervelende jongens zijn."

„Ja, maar misschien Herman niet. U is toch ook een broertje geweest."
„Ja, en plagen dat ik heb gedaan! Nou!"
„Dan is u later toch heel aardig geworden, hoor."
„Kom, daar ben ik blij om," lacht pa.
„O, ik vind het dol, dat Herman komt. Schrijft u, als 't u blieft, dat hij heel gauw moet komen."

Eenige dagen later staan moeder en Erna wel een half uur te vroeg aan het station om den kleinen neef af te halen.
Erna was den geheelen morgen zoo ongeduldig, dat ze den tijd om naar den trein te gaan bijna niet kon afwachten.
Bij elken trein, die binnenstoomt, vraagt ze: „Is dit de trein van Herman, moes?"

Eindelijk, daar komt de trein!
Herman had het wat parmantig gevonden, zoo alleen te mogen reizen, maar als hij tante en Erna ziet, is hij eerst wel een beetje verlegen. Maar gelukkig gaat dat gauw voorbij.

Een plezier, dat beide kinderen maken! Herman vindt het heerlijk logeeren in een groote stad.
Ze doen samen de heerlijkste spelletjes. Elken middag klimmen ze met hun beidjes op den tuinmuur, wie het eerst boven is, mag in den boom zitten.



Nu eens vertelt Herman van Turk, die een hondje uit het water heeft gehaald, dan weer van zijn tamme ekster en van zijn duiven of ook wel vertelt hij van Lies en Treesje, zijn zusjes, die de meeste versjes kennen van de klasse en bijna altijd vóór mogen zingen.

„Plaag jij je zusjes dikwijls?"
„Plagen? Lies en Trees plagen?"
„Ja," knikt Erna, „als je moedertje met haar speelt, hap je dan bij het theedrinken de suiker wel eens uit de kopjes of — of eet je, als je poffertjes bakt, die wel eens alleen op?"

Herman schatert het uit. „Neen, hoor, want als we moedertje spelen, ben ik altijd vader en vaders doen zulke dingen niet."
„Neen, dat is waar," zegt Erna, „vaders doen zulke dingen niet."
Dien middag aan tafel zegt Erna, „paatje, Herman is een broertje, die zijn zusjes niet plaagt."
„Ja, ja," schatert vader, „er zijn wel aardige broertjes, dat wist ik wel."


 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index