oHo, ho, niet zoo wild zijn, jongens, niet zoo wild!" riep vader aan de zoldertrap,
„'t Is warempel, of het huis wordt afgebroken."

„We spelen inbrekertje," riep Eduard naar beneden. „Frits en ik zijn de inbrekers en Leen is de dame van 't kasteel!"

„Ja, ja, dat zal allemaal wel waar zijn, maar zoo meteenkomt het heele plafond naar beneden."

Een oogenblik werd het rustiger. Maar — toen was het, of er metkisten en koffers werd heen en weer gegooid.
„Die ondeugende kinderen," stoof vader op.
„Als zóó de vacantie beginnen moet —" met holde hij de kamer uit, maar nog vóór hij bij de zoldertrap kwam, hoorde hij een gil en toen weer gestommel, alsof iemand van de trap afviel.
Met een ruk trok vader de zolderdeur open.
„Wat gebeurt hier?" riep hij angstig en boos tegelijk.
„Frits is zoo gevallen," zei Eduard schreiend.

„Ja," zei Leen, „hij stond op den hoogsten koffer en is toen met boffer en al omgerold."
„O mijn voet, mijn voet," huilde Frits.
„Dat komt nu van dat wilde spelen, jullie moest wel een ongeluk krijgen," meteen nam vader den schreienden Frits op zijn arm en droeg hem de trap af. Edu en Leen volgden snikkend.

„Zie zoo, laat mij nu maar eens kijken, hoe de voet er uitziet," zei vader en zette Frits op de kanapé.
Gelukkig viel het onderzoek mee.
„Ik denk, dat je je voet wat verstuikt hebt, vent. Blijf nu vandaag maar eens héél rustig liggen.
Je been maar rechtuit, 't Wilde spelen is nu vooreerst gedaan."

Daar zaten Leen, Edu en Fritsje nu alle drie met bedroefde gezichten te kijken.

Opeens sprong Leen op. „Ik weet een mooi spelletje, juist geschikt nu Frits een verstuikte voet heeft.
Wij maken van de kanapé een bed door mijn beddegoed er op te leggen.
Frits is dan 't zieke kind, dat daar moet liggen. Jij bent de dokter en ik, ja ik — ben de pleegzuster."

„Ja, leuk, maar zeg, Leen, wat moet ik dan aandoen?"
„Vaders jas is je natuurlijk veel te groot."
„Wacht," zei Eduard, „ik zal eens even op den stander kijken, daar hangt misschien wel iets, wat ik gebruiken kan."

„Ja," lachte Leen, toen Edu wilde gaan kijken, „je moet mij eens even helpen het bed voor den zieke in orde te maken.
Ziezoo, klaar," zei ze even later, „ligt Frits er nu niet echt leuk? Wacht, nu zal ik ook iets anders aandoen, 'k Zal Griet eens vragen. —
Kom nu maar binnen," riep ze een poosje later, terwijl ze deftig met een flesch eau de cologne in de hand bij Frits ging staan.

Eduard klopte.
„Binnen! O dokter, wat ben ik blij, dat u komt, ik wou graag hebben, dat u eens naar dit zieke jongetje keek."
„Laat mij maar eens je pols voelen, ventje," zei Eduard tegen Frits en haalde Leens pepermuntdoosje, dat voor horloge dienst moest doen, uit den mantelzak.

„Uw patientje, zuster," zei hij met een grappig ernstig gezichtje, „moet drie dagen rustig blijven liggen,"
hij mag volstrekt niet loopen. Morgen kom ik wel weer eens kijken."
Leen kon haar lachen bijna niet bedwingen.
Maar Frits, die altijd nog pijn aan zijn voet had, zette een echt zieke-jongensgezicht.

 
   

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index