„Nel, Nellie!"

„Wat is er, kindje, slaap je nog niet?"
„Neen, ik kan niet slapen."
„Hoe komt dat nu. Je hebt den geheelen dag toch zoo heerlijk buiten gespeeld."

 

 
 

 

„Ja, maar Nel, wat zei Pa toch van Bles en Schimmel. Ik moet steeds aan Bles en Schimmeltje denken. Zei Pa,"
Toeties onderlipje begon te trillen, „zei Pa, dat hij Bles en Schimmel wilde verkoopen?"
„Wie heeft er weer geluisterd naar de praatjes van groote menschen?"
„Ja, maar Nel, ik moest wel. Ik was juist bezig mijn oude pop, Lies, in slaap te zingen. Nu, als je je kindje in slaap zingt,
dan ben je natuurlijk heel stil en toen Pa een paar woorden tegen Ma had gezegd, sliep Lies.
Ik zat in 't hoekje van de kamer bij de vensterbank. Pa stond bij de andere vensterbank en toen hoorde ik, wat Pa zei,
ja, ik kon bijna alles verstaan.
Och, die lieve Bles en ons lief schimmeltje," snikte Toet. „Je weet niet, Nel, hoe bedroefd Pa keek en Ma ook.
Ma keek net zoo, als toen Hektor weggebracht moest worden.
Maar Nel, waarom moeten Bles en Schimmeltje toch van ons weg?"

 
   
 
   

„Ja, kijk eens, kindje. Wij gaan immers naar een andere stad wonen, hier een klein eindje van daan.
We kunnen Bles en Schimmeltje onmogelijk meenemen, want hier buiten bij dit huis hebben we wel een mooien,
grooten stal, maar bij het huis in de stad niet. We kunnen Bles toch niet op het balcon zetten?
Bles, de harddraver, zooals Pa altijd zegt en schimmeltje, ja, die zou er in elk geval nog beter kunnen staan,
die is niet zoo'n wildebras als Bles, maar toch zou ik bang zijn, Toet, dat jij juist onder het balcon op de waranda zat,
om Lies in slaap te zingen. Je zoudt stellig meenen, dat het paard van Sint Nicolaas naar beneden kwam rollen.
En Lies, nu die zou ook maar niet schrikken in haar slaap."
„Ja— en ik zelf," lachte Toet, nog met een paar dikke tranen op de wangen.
„Je begon misschien dadelijk een Sint-Niklaasliedje te zingen."
„Neen, hoor, dat geloof ik niet," schaterde Toet.

 
   
 
   
Maar opeens werd Toets gezichtje weer ernstig. „Nel, wie komen in dit huis wonen, als wij naar de stad gaan?"
„Een meneer en mevrouw met drie aardige kinderen. Twee meisjes en één jongen."
„En blijven Bles en Schimmeltje dan bij hen?"
„Ja, zeker, Bles en Schimmel blijven in dezen zelfden stal."
„Dat zullen ze zeker prettig vinden, denk je niet, Nel?"
„Zeker vinden ze dat prettig. En zal ik je nu eens wat vertellen?
Als wij in de stad wonen en ons heele huis is klaar, dan komen die beide meisjes ons met schimmeltje opzoeken en dan gaan we met ze uit rijden."
 
   
 
   
„Heusch?"
„Ja, dat hebben ze beloofd. Het zijn heel lieve meisjes, die veel van paarden, honden en allerlei dieren houden."
„Ja, maar Bles, zien we die dan niet?"
„Zeker, een anderen keer komt Bles mee. Maar je weet, die vindt het niet zoo heel pleizierig voor den wagen, die rent het liefst door bosschen en weilanden. Bles is nu eenmaal een echte harddraver.
Maar Toetie, nu moet je toch gauw gaan slapen, kindje. Weet je wat?
Morgen gaan we nog eens een echt ouderwetsch praatje met onze paardjes in den stal maken."
„En dan nemen we Moortje mee."
„Ja, natuurlijk, we nemen Moor mee; want die zal zijn beide vrindjes ook erg missen. Nu, wel te rusten, Toet!"
„Dag!"
 

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index