Treesje ging naar zangles toe,
Zong welgemoed een liedje
Van Abrikozemietje,
Van do, re, mi, van sol, mi, re
En Tip haar hondje jankte mee.
Dat hoorden Koos en Keesje,
„Toe, zing iets voor ons, Treesje?"
Maar Treesje zei: „Nu kan ik niet,
'k Moet gauw naar les, zooals je ziet."

Maar nauwelijks had ze hen gegroet
Of, lieve tijd, weg woei haar hoed.
„Mijn nieuwe hoed!" riep Trees, „o wee!
Wie helpt mij nu van jullie twee?"
„Ik, ik!" riep Koos, „schrei maar niet, Trees."
„Neen, ik grijp hem," riep vroolijk Kees.
Plots riepen beiden: „O, mijn bol!"
Trees jammerde: do, mi, fa, sol."
Helaas, den hoed kreeg geen van bei,
De wind blies hem naar gindsche wei.
„Mijn arm hoofd," zei Kees, „o, o."
„'k Wil zingen voor je: sol, fa, do,"
Zei Trees. „Och lieve beste Koos,
Wees op je vriendje nu niet boos."
Toen lachte Trees: „Och, lieve tijd
Je mooie petjes ben je kwijt.
Als Tip, de hond, moet je voortaan
Met 't bloote hoofd uit wandelen gaan."


 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index