Wat doe je toch, Dolf?"

„Ik wip de blaadjes van den scheurkalender op, Moe, en dan tel ik, hoeveel ik er nog af zal scheuren, voor het de twintigste is."

„Och, malle jongen, dat weet je toch wel zonder die blaadjes te tellen."
„Ja, maar ik vind het juist zoo prettig om het te zien. Een, twee, drie, vier, vijf," telde Dolf.
„Wat zitten die blaadjes stijf, maar kijk, als ik ze zoo optil, kan ik toch een stukje van de cijfers zien.
Wat ik leuk zou vinden? Raadt U eens?"
„Ja, dat is zoo gemakkelijk niet. Er zal zeker heel veel zijn, dat je prettig zult vinden."
„Zal ik het eens zeggen?" „Ja, ik ben werkelijk nieuwsgierig."

„Dat ik, als ik opeens die vijf blaadjes er af trok, dat ik dan ook dadelijk jarig was; want dan staat er toch twintig Mei op en als er twintig Mei op den scheurkalender staat, dan hebt U zelf gezegd, was ik jarig."
„O, jij mijnheer Ongeduld, maar zoo laat ik mij niet foppen. Vertel mij liever eens, wat je graag zoudt willen hebben."

„Dat raadt U nooit. Ik durf het bijna niet zeggen, 't Is eigenlijk iets voor groote jongens."
„Zoo, zoo, voor groote jongens?"
„Kees van den smid heeft er een. Eerst vind je 't niet zoo prettig, maar later wel," zegt Kees.
„Jij maakt mij werkelijk nieuwsgierig-, vertel mij maar eens gauw, wat je bedoelt."

„Ik durf haast niet zeggen, wat ik meen. Ik zal het U eens influisteren," zei Dolf met een kleur als vuur.
„Een — een — pijp."

Moeder schaterde het uit. „Wil mijnheer niet liever een kistje sigaren?
Maar met een pijp alleen kan je toch zeker niets beginnen, wat moet er dan in zoo'n pijp?"
„Tabak, natuurlijk," zei Dolf met een hoogroode kleur.
„Zou vader 't goed vinden, krijg ik er een, denkt U?"
„Wacht maar, tot de scheurkalender op 20 staat. Ik vertel niets."

Eindelijk was 't 20 Mei. Dolf was dien morgen al vroeg op, hij popelde. Wat zou hij krijgen?
„Als ik toch eens een pijp kreeg, wat zou Kees kijken en alle jongens."

 
   
 
   

„Dag, ventje, wel gefeliciteerd," zei vader, „hier in dit doosje zit je presentje, jij bent nu zoo'n groote jongen,
vader en moeder dachten, dat je zoo iets wel zoudt kunnen gebruiken.
„Ja," zei moeder, „dit van mij hoort er bij." Dolfs oogen werden steeds grooter, zijn wangen steeds rooder.
Haastig begon hij het pakje los te maken, „zou het werkelijk een pijp — wat zou Kees —?"

„Hoera, een pijp!" juichte Dolf, toen hij het pakje open had gemaakt.
„De pijp van Kees is bruin, maar een witte vind ik eigenlijk veel mooier," dacht hij bij zichzelf.
„Nu moeders pakje nog, zeker tabak, dat hoort toch bij een pijp, wat is dat, zeep?"

Vader en moeder proestten het uit, toen ze de verbaasde oogen van Dolf zagen.
„Ik dacht — ik dacht" — Dolf begon bijna te schreien.
„Ja, jij dacht natuurlijk, dat er tabak uit dat pakje zou komen," lachte vader, die toch wel een beetje medelijden kreeg, toen hij Dolfs teleurgesteld gezichtje zag. Dolf knikte, kon niets zeggen.

„Maar kijk eens, ventje, dit is óók tabak, tenminste tabak voor zoo'n pijpje, als ik jou heb gegeven en veel beter dan die van Kees, en je krijgt er geen bleeken neus van, zooals van de echte tabak,
maar lekkere, bolle, gezonde wangen. Droog maar gauw je tranen en kom maar eens mee, kleine jarige mijnheer.
Moeder, geef ons nu maar eens een flinke kom met water, ziezoo, 't heele stuk zeep er maar in, tot het water flink schuimt — wacht, ik heb hier nog een pijpje."
Toen deed vader 't pijpje in de kom en begon te blazen, te blazen, tot het allemaal kleurige zeepbelletjes werden.
Vader blies door, 't pijpje nu boven de kom en jawel, hoor, een prachtige, groote zeepbel kwam er uit.

„O, vadertje wat een groote, wat een mooie?" juichte Dolf opgewonden. „Mag ik ook eens?"
„Ja, natuurlijk, 't is jou tabak," lachte vader, die mag jij oprooken."
Bobbelde-bobbelde-bob ging het in de kom. De kleurige waterblaasjes kwamen boven de kom uit.
„Nu gauw de pijp er uit," onderwees vader.
Dolf wist niet van ophouden. Weer een mooie, weer een mooie!
„Jij wordt me een meesterbellenblazer," lachte vader.

 
   
 
   

Toen ging Dolf buiten bij het tuinhek staan. Ieder moest toch zien, hoe mooi hij blazen kon.
Meta en kleine zus hadden de oogen niet van hem af en Bert hield op met hoepelen, zooiets moois had hij nog nooit gezien, een bol, waar je doorheen kon kijken.
't Kleine ventje holde naar huis en vroeg ook om te mogen zeepbellen blazen.
Natuurlijk wilden zijn zusjes Lidi, Greta en Coba ook een pijpje.
En nog dienzelfden middag zaten alle vier boven op den regenbak te blazen.
Bert met den bak met zeepwater op den schoot. Een zeepbel spatte uiteen vlak in Greta's gezicht, maar dat kon de anderen niet schelen, die bliezen vroolijk verder.

Klein zusje had zóó lang gedwongen, tot zij ook een kommetje met zeepwater en een pijpje had en daar zat ze nu in 't grasveld zeepbellen te blazen.
De ondeugende wind blies het kleurige belletje steeds verder.
Zus wilde het grijpen, mis, hoor! Ze kon het niet pakken, wat keek zusje toen bedroefd.

 
 

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index