Och, wat is het toch vervelend geen broertjes en zusjes te hebben," dacht Dolf. „Wat kun je nu spelen alléén — niets!
Misschien zou Karel van hiernaast wel mogen komen, maar als je visite hebt, mag" die altijd kiezen, welk spelletje die 't prettigst vindt.
Neen, met broertjes en zusjes spelen is veel leuker, dan kun je zooveel kribben, als je wilt; want je bent geen visite van elkaar — hè, wat is dat een leuke kikker, juist geschikt voor mijn aquarium." Dolf er achteraan.

„Kikeriki, kikeriki!"

„Wie is daar?" Verbaasd kijkt Dolf op.
„Kikeriki!"

„Waar komt dat geluid toch vandaan?" Dolf blijft kijken naar alle kanten.
„Kikeriki!"

„O, ben jij 't, Karel? Kom maar voor den dag, je stroohoed verraadt je, hij steekt boven de heg uit.
Kom eens gauw, ik heb hier zoo'n leuk kikkertje, zie 't eens een haast maken, hup, hup."

Maar vóór Karel bij Dolf was, was de kikker verdwenen.
„Ik zou juist vragen, of je wat bij mij in den tuin kwam spelen."
„Graag," zei Dolf. „Zeg eens, dan maken we weer zoo'n leuk roovershol als den vorigen keer, hè?"

„Ja, laten we dat doen. Pa en ma hebben ons toen toch maar niet kunnen vinden. Het tentje staat er nog, maar de roode gordijnen, die er voor hingen, liggen in de schuur, ga jij maar vast vooruit, dan zal ik ze even halen.
Ik neem dan meteen de spijkerdoos mee.
Ziezoo, hier is alles," zei Karel even later. IJverig gingen nu beide jongens aan het werk.
„Leuk staan die gordijnen toch," vond Dolf.
„Laten we nu in het hol gaan. Eigenlijk moesten we hier een kaars branden, dat staat zoo echt roovershol-achtig.
Weet je wat? 'k Haal den kandelaar van pa en ma's slaapkamer."
Karel holde naar huis en kwam al gauw met den kandelaar aanzetten.
„Er zit nog maar een stompje op, maar dat is niets, hier heb ik ook de lucifers. 'k Zal hem in dit hoekje zetten, kom nu maar naast mij zitten," onderwees Karel.
„De tuin is het bosch. Wij zijn de roovers en liggen op den loer om, zoodra we gerucht hooren voor den dag te komen!"
Karel voelde zich al een echte roover. „Wat zullen onze geweren zijn?"
„Hier, deze stokken, als ik zeg: vuur! dan moet je schieten."
„Waarom mag jij dat zeggen?"
„Wel, omdat ik rooverhoofdman ben, jij moet mij dus gehoorzamen."
„Den vorigen keer was jij ook rooverhoofdman," zei Karel teleurgesteld.
„Nu ja, als je op visite bent, mag je altijd kiezen, wat je 't prettigst vindt, zegt ma. Ik ben toch jou visite.
Hoofdman vind ik het prettigst."
„Nou ja, maar dan ben ik nooit eens hoofdman."
„Jij hebt me toch gevraagd."
„Maar ik wil geen roovertje spelen, als jij mag doen, wat het prettigst is."

Een poosje zaten beide jongens pruilend voor zich uit te zien.
„Als ik geen rooverhoofdman mag zijn," begon Karel weer, „ga ik uit het roovershol."
„Hè, wat ben je flauw. 't Is hier nu juist zoo leuk," zei Dolf, die toch vond, dat hij als visite zijn zin moest hebben.
Gastheer en gast keken beiden al even brommig.

„Wat zullen we dan spelen?" zei Dolf een poosje later.
„Ik weet niets," pruilde Karel.
„Zullen we paardje spelen?"
„Ja, dat is goed. Ik zal het paardtoom wel even van huis halen!

„Wat een prachtig toom is dat," zei Dolf verrukt. „Blijf nu maar eens stil staan, dan zal ik je inspannen."
„Ja, maar ik wil koetsier zijn," zei Karel. „Nu wil jij wéér 't prettigst."
„Ik mag toch het eerst koetsier zijn, omdat ik visite ben, straks jij."
„Neen, altijd wil jij 't eerst, zoo wil ik niet met jou spelen."
„ Dan ga ik naar huis, hoor," zei Dolf boos, „ik vind jou een vervelende jongen."

Nu was Karel weer alleen, hij had het juist zoo prettig gevonden, toen ma zei, dat hij Dolf maar moest vragen te spelen.
Had hij Dolf maar rooverhoofdman laten zijn! Alleen kon je toch ook niets spelen en boos gooide hij het paardtoom af.
En slenterde met een bedroefd gezicht naar huis.

„Wat is dat nu?" zei ma, die juist onder de veranda zat, „ben je alléén vent, ik dacht, dat Dolf en jij zoo mooi samen speelden?"
„Ja, maar, ja maar," stotterde Karel half schreiend en vertelde toen, waarom Dolf was weggegaan.
„Ja, ventje, jij had ook wel een beetje aardiger voor je visite mogen zijn, maar ik vind ook, dat Dolf nu wel eens had kunnen beginnen met paard te zijn. Weet je wat, ga nu maar gauw je vriendje weer halen en zeg hem, dat ik jullie beiden op visite vraag. Ik kan natuurlijk geen roovertje spelen, maar er zijn wel andere spelletjes, jullie moogt dan om beurten kiezen, wat je 't liefst doet. En ik beloof je, dat ik niet brommig zal kijken als jullie bijvoorbeeld belegeren kiest, als ik liever op 't ganzenbord zou willen spelen."

Als een pijl uit den boog vloog Karel naar Dolf.
't Was maar heel goed, dat hij kwam, want Dolf had al spijt als haren op zijn hoofd, dat hij den baas had willen spelen.
Karel vond hem dan ook achter in den tuin bij 't schuurtje op een bloementafeltje zitten met o, zoo'n bedroefd gezichtje.

Karel en Dolf hadden dien middag nog dolle pret en allebei pasten ze in het vervolg wel op, dat ze elkaar van weerskanten iets toegaven, zoowel gast als gastheer.

 

 

 

naar inhoud gelukkige uurtjes naar index