Tingeling!

„Daar zal Griet zijn om jullie naar school te brengen."
„Ik ben nog niet klaar," pruttelde Jan. „Is het dan al zoo laat?"
„Ja, zeker, eet maar vlug" je boterham op, vent, Griet heeft niet veel tijd.
Je weet immers wel, dat ze een heele massa kindertjes naar school moet brengen.
Ze kan dus bij ieder niet lang wachten."

 
   
 
   

„Ik vind het niets pleizierig met al die kinderen altijd naar school te worden gebracht.
Je moet je altijd zoo haasten en Bobbie doet gewoonlijk niets dan schreien, omdat Bertha hem zoo meetrekt en kleine Frits ook, die kan ook zoo vlug niet loopen.
Gisteren nog, had U moeten zien, hoe Toosje hem met beide handen meesleurde.
Schreien, dat hij deed. Ik vind 't niets prettig, hoor; want iedereen meent, dat die ondeugende kinderen broertjes en zusjes van je zijn."

„Ik ook niet, tenminste, als ze allen altijd zoo pruttelen als mijn Janneman nu doet.
Hoeveel kindertjes brengt Griet nu wel eiken morgen naar school?"
„Achttien, moe, maar u moet schaapjes zeggen. Griet zegt altijd: „Vooruit, mijn schaapjes," als we niet vlug loopen.
En gisteren, weet u, wat er toen gebeurde?
Toen wou Willem van den dominee niet naar school en plagen, dat hij Griet deed! Griet werd op het laatst zoo boos, dat ze met een stok achter hem aanliep. Toen we uit school kwamen, was Willem nergens te vinden.
Hij had zich zeker verstopt. Griet was toch zoo ongerust.
Zij is hem dadelijk gaan zoeken. Trui en Frans hebben ons toen naar huis gebracht. Wat hebben we een schik gehad.
We hebben toch zoo mooi gezongen onderweg. Dicht bij huis zag lange Piet Willem in een lantaarnpaal."
„Nu, wees jij maar nooit zoo ondeugend, hoor, en ga nu maar gauw.
Kijk Griet eens brommig kijken. Een, twee drie, de deur uit. Dag!"

 
   
 
   

 



naar inhoud gelukkige uurtjes naar index