Bib en Bob.

„Waf, waf, waf, Moeke, vertel ons nog eens van Flik en Flok."

„Flik en Flok waren jullie neefjes ..."
„Ja, ja, dat weten we al," kefte Bib.
„Nu dan, Flik en Flok waren tweelingen, hun vader verdiende den kost door een groentekar te trekken en hun moeder is vroeg gestorven.
„Ja, ja, dat weten we óók wel," kefte Bob.

„Wat moet ik dan vertellen?"
„Waf, waf! 't Verhaaltje van de zweep!" riepen beide tegelijk. „Toe, Moeke, vertel ons dat."
„Maar, kindertjes, dat heb ik jullie toch al zoo dikwijls verteld."

„Nu stil dan maar.
Bib, maak niet zoo'n leven. Je zult je keel nog rauw keffen en Bob, houd je staart toch een oogenblik stil.
Flik en Flok waren tweelingen, net als jullie. Omdat Flik en Flok er eender uitzagen, meenden ze, dat ze ook altijd alles gelijk moesten hebben, wat eten, drinken en ook wat hun speeldingen betrof. Eens..."
Waf, waf, waf.
Bibs staartje ging bibberdebib.

„Eens had Flik een zweep. Flok er natuurlijk achteraan. Moest die zweep ook hebben, natuurlijk.
Flik werd kwaad, maar daar stoorde Flok zich niet aan. Hij pakte de zweep aan 't andere eind stevig beet.
In een vaart ging het toen door den tuin, driemaal 't grasveld om. Toen sprong Flik vlug over de sloot.
Flok wou er natuurlijk ook over — maar o wee, inplaats van er over sprong hij er in. Nu moet je niet denken, dat hij de zweep los liet en dat was ook wel heel verstandig van Flok, want Flik liet haar ook niet los en daardoor kwam het, dat Flik, die uit alle macht trok, zijn tweeling'broertje met leven redde.
Met een stevigen ruk trok hij Flok weer op 't droge."

„Waf, waf, waf," keften Bib en Bob.
„Ja, ja, dat liep nog heel gelukkig af. Maar luister nu eens. Zullen jullie altijd heel lief voor elkaar zijn en niet kibbelen?
Foei, ik wist niet, wat ik zag, toen buurmans Toosje Bib op den arm had, omdat hij zoo jankte.
Wie had hem toen in 't oortje gebeten? Als jullie iets krijgt, moet je dat eerlijk deelen."

Dat hadden Bib en Bob goed onthouden, want den volgenden morgen kwamen ze beide met één groot hondebrood aandragen.
Als ze niet bang geweest waren, dat de koek zou vallen, hadden ze zeker van plezier wel een oorverdoovend gekef aangeheven, nu bibberden ze alleen met hun staartjes.



Moeder wist raad, beet de koek in tweeen en zoo smulden ze beide en moeder ook.



Een uur later kwamen ze samen warempel met één groote bot aandragen,



moeder zou hen wel weer helpen, moeder keek en keek — ja dat was een moeilijk geval.

 
   



naar inhoud gelukkige uurtjes naar index