Omstreeks de eeuwwisseling
heerste niet alleen in Nederland maar in de gehele westerse wereld een
stem-
ming van ongebreideld optimisme.
Daar leek ook alle reden toe.
Europa was aangeland
op een punt dat door geen enkele vroegere beschaving was bereikt.
Niet alleen stond 85 procent van de wereld onder haar rechtstreekse politieke
en militaire controle, ook cultuur en economie werden tot in de meest
afgelegen streken diepgaand door haar beïnvloed. De Europese hegemonie
leek compleet.
'Onweerstaanbaar
(...) gewapend met geweer en weten-
schap onderwerpt de geest van het Westen de wereld,' schreef in 1879 de
grondlegger van de moderne geschiedwetenschap, Leopold von Ranke.
De ontwikkelingen
gingen inderdaad snel, niet het minst in Rankes geboorteland. Het Duitse
Keizerrijk was in korte tijd samengesmeed tot een industriële en
politieke macht van betekenis.
Eerder al waren Frankrijk en België in het voetspoor getreden van
Engeland, de eerste moderne industriële natie ter wereld. Ook in
andere Europese landen gonsde het in de laatste decennia van de 19e eeuw
van energie, zelfs tot ver in het oosten waar de slapende reus Rusland
langzaam begon te ontwaken.
Aan de overzijde
van de Atlantische Oceaan ontpopten
de Verenigde Staten zich in ongekend tempo tot het land van de onbegrensde
mogelijkheden, niet gehinderd door de ballast van het verleden en gezegend
met grote natuurlijke rijkdommen.
De Nieuwe Wereld trok niet alleen miljoenen immi-
granten en vluchtelingen, maar ook steeds meer Euro-
peanen die er de nieuwe wereldsteden, de revolutionaire architectuur en
de prestaties van de emigrantenkolonies kwamen bewonderen.
Economisch gezien
was er in deze jaren in de gehele westerse wereld sprake van een explosieve
groei,
vooral tussen 1890 en 1914.
Er openden zich ongekende perspectieven op een eeuwig-
durende materiële welvaart - ook al profiteerden grote groepen daar
voorlopig nog nauwelijks van.
Spoorwegen, stoomschepen, fietsen. vliegtuigen en auto's veranderden niet
alleen het aanzien van de wereld maar maakten die tezamen met telefoon,
telegraaf, grammofoon, film en foto en vooral de moderne drukpers die
dagelijks miljoenen kranten en tijdschriften uitspuwde- ook aanzienlijk
kleiner.
GELOOF
IN DE VOORUITGANG
De technische en
economische vooruitgang vond zijn wortels en weerslag in wetenschap, cultuur
en wereld-
beschouwing.
Kenmerkend voor het heersende denken was het onbe-
grensde vertrouwen in de menselijke rede.
Discipline, orde,
conformisme, goede smaak en bezit werden gezien als bewijzen van redelijkheid
en zedelijk-
heid.
De rede, het gezonde verstand eigenlijk, zou voorgoed een einde maken
aan prostitutie, marteling, echtschei-
ding, polygamie, kindermoord, slavernij en alle andere 'barbaarse overblijfselen'
van vroegere tijden, schreef
de Britse moraalfilosoof Isaac Taylor al in 1860.
Dergelijke gedachten
vielen in goede aarde bij
de burgerij die indertijd in de meeste westerse landen
de toon aangaf, ook in Nederland.
In wetenschap en filosofie leidde dit grenzeloze vertrouw-
en in het rationele denken omstreeks het midden van
de l9e eeuw tot het positivisme: de opvatting dit alle aspecten van de
werkelijkheid te verklaren en te beheersen zouden zijn.
Met groot enthousiasme
stortten velen zich op de studie van mens en samenleving.
De succesvolle natuurwetenschappen stonden in de ogen van de positivisten
model voor alle andere disciplines, zoals filosofie, geschiedenis, sociologie,
geneeskunde en psychologie.
Zo meenden Auguste Comte en Karl Marx dat het moge-
lijk was wetmatigheden te ontdekken in de maatschappij en de geschiedenis
wetten waarmee de toekomst voorspeld zou kunnen worden.
Het geloof in de westerse superioriteit nam onder brede lagen van de bevolking
bijna mythische vormen aan, niet alleen in termen van het blanke ras tegenover
de rest van de wereld, maar ook in andere opzichten.
Algemeen was men overtuigd van het universele karak-
ter van de westerse wetenschap en techniek, waarvan
de nieuwste voortbrengselen te pronk stonden op internationale mammoettentoonstellingen.
Ontdekkingen op wetenschappelijk
gebied werden breed uitgemeten, ook in populaire massabladen die bij honderdduizenden
werden verkocht in de straten van Parijs, Londen en Berlijn.
De snelle ontwikkeling
van Japan, dat met grote ijver en precisie de westerse technologie kopieerde,
leek de idee van de westerse superioriteit eerder te bevestigen dan te
ondermijnen.
Ook in de politiek
vierde omstreeks de eeuwwisseling
het geloof in de rede hoogtij. Het waren de gloriejaren van het liberalisme,
de stroming die zichzelf beschouwde als de vertegenwoordigster bij uitstek
van het redelijke denken en bijvoorbeeld grote waarde hechtte aan het
onderwijs.
De invoering van
de parlementair-constitutionele regeringsvorm in de meeste westerse landen
kan even-
eens worden beschouwd als een bewijs van vertrouwen
in de redelijkheid van de individuele, vrije burger.
De internationale politiek werd intussen beheerst door diplomaten: gentlemen
die zorgvuldig en volgens
de regels van het vak het internationale machtseven-
wicht probeerden te bewaren.
En met succes. Want de honderd jaar die volgden op
de val van Napoleon vormden een eeuw van betrek-
kelijke rust. Althans in Europa.
Er leek, kortom, alle reden voor optimisme.
Maar
wie een eeuw later terugkijkt op de grootse toekomstverwachtingen van
die jaren zou in de verleiding kunnen komen de ondergang van de 'Titanic'
in april 1912 te zien als een mene tekel, een onheilspellend voorteken
voor het lot van Europa.
Het luxe passagiersschip, een wonder van Brits vernuft dat door zijn bijzondere
constructie onzinkbaar werd geacht, liep tijdens zijn eerste tocht in
volle vaart op een ijsberg en verdween in korte tijd in de golven.
Vijftienhonderd feestende passagiers en bemannings-
leden kwamen om het leven; slechts zevenhonderd opvarenden overleefden
de ramp.
De wereld was
verbijsterd, zoals zij enige jaren later verbijsterd zou zijn over de
miljoenen doden die vielen
op de slagvelden en in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog.
Ruim dertig jaar na de optimistische voorspelling van Leopold von Ranke,
maar nog enkele jaren vóór het begin van de Eerste Wereldoorlog,
zette een andere Duitser zich in een slechtverwarmd vertrek aan het schrijven
van een boek over de ondergang van de westerse beschaving.
En hoewel Der Untergang des Abendlandes van
de cultuurhistoricus Oswald Spengler een door-en-door conservatief en
nationalistisch werk was, zou het
de auteur bij het verschijnen ervan in één klap beroemd
maken. Maar toen had inmiddels een verwoestende oorlog al de andere kant
van de moderne beschaving laten zien.
Oswald
Spengler was misschien wel de meest sombere 'doemdenker' van deze periode,
maar hij was zeker niet de eerste.
Vooral onder kunstenaars en intellectuelen was al jaren eerder scherpe
kritiek op de westerse beschaving te vernemen geweest. In literatuur,
muziek en schilder-
kunst werd de toekomst geschetst in somber stemmende kleuren en soms zelfs
in apocalyptische taferelen.
In verband met dergelijke gevoelens van verval en leeg-
heid worden de jaren rond de eeuwwisseling wel aangeduid als het fin-de-siècle.
De term wekt associaties
met het einde van een tijdperk en de ondergang van een beschaving, en
staat daarom in schril contrast met het hierboven geschetste optimisme
van de Europese burgerij.
Volgens cultuurcritici onder kunstenaars en intellectuelen vormde de burgerlijke
beschaving van die tijd echter weinig meer dan een vernislaag; waren welgemanierd-
heid en redelijkheid slechts schone schijn.
'De burgers praten zoveel over beschaving om hun innerlijke holheid te
verbergen,' schreef de 'filosoof met de hamer' Friedrich Nietzsche sarcastisch.
Met name in Frankrijk
en Oostenrijk keerden schilders en schrijvers zich radicaal af van de
burgerlijke samen-
leving.
Achteraf gezien kan men zeggen dat deze kunstenaars
en intellectuelen de kwetsbaarheid van de westerse beschaving goed hebben
aangevoeld.
Onder de oppervlakte immers werd geknaagd aan
de fundamenten van het geloof in redelijkheid en vooruitgang.
Merkwaardig genoeg
droeg de wetenschap daartoe in niet geringe mate bij. Zo werd het geloof
in het eeuwige en universele karakter van de westerse, christelijke waarden
en normen ernstig aangetast door de evolutie-
theorie van Darwin, de wetenschappelijke bijbelstudie en de moderne psychologie.
Ook op politiek gebied waren krachten opgekomen die spotten met het liberale
vertrouwen in de redelijkheid van het individu.
Een ervan was het nationalisme, 'de meest anticulturele ziekte en idiotie
die er bestaat, die nationale koorts waar Europa mank aan gaat', aldus
Nietzsche.
Nationalistische sentimenten kon men vooral aantreffen onder de middengroepen
in de steden. Ze werden gevoed door de kranten en de traditionele vijanden
van het liberalisme: de adel, het leger en de kerk.
Naar binnen toe zochten dergelijke gevoelens een uitweg in rechtse massabewegingen,
waarin antsocialisme en antisemitisme hand in hand gingen met een bijna
even heftig antikapitalisme en antiliberalisme.
Aan de schaduwrijke
onderkant van de samenleving leefden intussen, in erbarmelijke omstandigheden,
miljoenen arbeiders, kleine boeren en andere arm-
lastigen.
Slecht gehuisvest, werkend onder zware en ongezonde omstandigheden in
mijnen en fabrieken of als keuter-
boertje op het land, zullen zij zich niet of nauwelijks hebben herkend
in het eerder geschetste, opgewekte beeld van de samenleving gedurende
de tweede helft
van de 19e eeuw.
Toch leefde ook in
deze kringen de hoop zich uiteindelijk van het onrechtvaardige juk van
de ongelijke machts-
verhoudingen te kunnen ontdoen.
De opkomst van het socialisme, dat met name in
de beginjaren de aantrekkingskracht had van een nieuwe, verlossende religie,
vormde daarvan een uitdrukking.
Een groot deel van de kritische kunstenaars en intellectu-
elen, zelf van burgerlijke afkomst, zou zich met vuur inzetten voor de
bevrijding van dit proletariaat.
JAREN VAN SYNTHESE
Het optimisme van
het einde van de 19e eeuw ging ook aan Nederland niet voorbij.
Pessimistische geluiden waren hier zelfs zeldzamer dan in de meeste andere
landen. De drastische veranderingen die zich hier - in korte tijd en zonder
heftige schokken voltrokken, zorgden weliswaar voor verwarring
en deden traditionele normen en waarden wankelen, maar gaven velen ook
vertrouwen in de toekomst.
Pas als men de periode
1870-1914 probeert te plaatsen in een breder historisch verband, blijkt
hoe ingrijpend
de veranderingen eigenlijk zijn geweest.
Vooral na 1890 kwam het moderniseringsproces in Nederland in een stroomversnelling.
In deze decennia zijn in feite de fundamenten van de moderne Nederlandse
samenleving gelegd die tot in de jaren zestig van de 20e eeuw vrijwel
onaangetast zouden blijven.
De Groningse historicus E.H. Kossmann heeft de periode 1890-1914 dan ook
aangeduid als de jaren van synthese.
Het woord 'synthese'
kan in dit verband ook heel letter-
lijk worden opgevat.
De modernisering ging immers hand in hand met een proces van eenwording
op alle gebieden.
Om dat te illustreren
is geen treffender voorbeeld denkbaar dan de invoering van een nationale
klokketijd op l mei 1909.
Tot dat moment gaven
de uurwerken van plaats tot plaats een andere tijd aan: de zogenaamde
plaatselijke ware tijd.
In feite werkte dit systeem van 'ware tijden' volgens hetzelfde principe
als de tijdzones waarin de wereld heden ten dage is ingedeeld, al ging
het hier niet om een tijdverschil van uren maar van minuten, met een maxi-
mum van een kwartier.
Klokken in het oosten van het land liepen voor op die in het westen; zelfs
binnen één gemeente konden de wijzers anders staan.
Zolang afstanden alleen te voet, te paard of per boot konden worden overbrugd,
was het tijdverschil misschien wat lastig -je moest je horloge voortdurend
bijstellen - maar onoverkomelijk was het niet.
Wat betekenden tenslotte enkele minuten bij een maxi-
male snelheid, in een diligence, van 8 kilometer per uur?
Met de opkomst van
snellere verbindingsmiddelen zoals trein en telegraaf deden de nadelen
van de traditionele tijdsberekening zich evenwel scherper voelen.
De noodzakelijke omrekening werd als buitengewoon verwarrend en hinderlijk
ervaren.
De spoorwegmaatschappijen waren daarom al sinds 1858 overgegaan op de
zogenaamde 'spoortijd', een landelijke tijd die men naast de lokale tijden
kon aantreffen in
de vertrek- en aankomststaten.
Uiteraard waren de problemen daarmee niet opgelost. Toch zou het nog geruime
tijd duren voordat bij wet
een einde werd gemaakt aan deze 'nationale klokken-
anarchie'.
SCHAALVERGROTING
EN INTEGRATIE
De geschiedenis van
de klok staat min of meer model voor een meer omvattend proces, dat door
de historisch geografen Hans Knippenberg en Ben de Pater treffend
is aangeduid met de termen 'schaalvergroting' en 'integratie'.
Dorpen, steden en
regio's werden afhankelijker van elkaar, horizonten werden in alle opzichten
ruimer.
Overheerste omstreeks 1870 nog de regionale verschei-
denheid, zowel in politieke en economische als in culturele zin, in de
volgende decennia werden de nationale banden en kaders snel belangrijker.
Vrijwel geen aspect
van het maatschappelijke leven bleef hierdoor onberoerd. Of het nu ging
om dialecten, kleder-
dracht, liederen, klokken, handel, bestuur of sociale ver-
houdingen - vroeg of laat, snel of minder snel weken
de lokale eigenaardigheden terug voor nationale patronen.
In de jaren 1870-1914 raakte dit proces van eenwording en schaalvergroting
in een stroomversnelling.
Eigenlijk is 'Nederland'
pas toen ontstaan. Althans in
de zin waarin we er vandaag de dag over spreken en schrijven: als een
min of meer samenhangend geogra-
fisch, politiek en economisch geheel.
Het ontstaan van grotere economische verbanden is daarbij van doorslaggevend
belang geweest, evenals
de sterke uitbreiding en verbetering van vervoers- en communicatienetwerken.
Men hoeft daarbij slechts te denken aan het feit dat een reis per boot
en rijtuig van Amsterdam naar Groningen omstreeks het midden van de 19e
eeuw onder goede omstandigheden ongeveer een etmaal duurde en rond
de eeuwwisseling per trein nog maar enkele uren.
Het verdwijnen van
de lokale onafhankelijkheid is heel sprekend beschreven in een studie
van de historisch antropoloog J. Verrips over Ottoland, een klein orthodox-protestants
dorpje in de Alblasserwaard.
In het dorp, dat enige honderden zielen telde, hadden
de grote boeren het eeuwenlang feitelijk voor het zeggen gehad. Zij vormden
de polderbesturen en domineerden de gemeente- en kerkeraad.
Door onderlinge huwelijken vormde de boerenstand nog rond 1850 een gesloten
sociale groep. De vaste landar-
beiders en dagloners hadden weinig in te brengen en dat gold nog sterker
voor de inwonende knechten en meiden. De kleine groep ambachtslieden en
neringdoenden stond tussen de boeren en arbeiders in; de timmerman en
de molenaar waren zelfs toegelaten tot het kerk- en polderbestuur.
Deze verschillen in macht en bezit werden op een beschaafde manier zichtbaar
gemaakt, niet alleen in
de dagelijkse omgang maar ook in de kerk, waar een vaste plaats zijn prijs
had en de kerkbanken de sociale en politieke verhoudingen weerspiegelden.
De enorme veranderingen die zich in de tweede helft van de 19e eeuw voltrokken,
brachten een radicale omme-
keer in deze traditionele verhoudingen teweeg.
In alle opzichten werd het dorp afhankelijk van externe ontwikkelingen
en van maatregelen die van hogerhand werden uitgevaardigd.
In enkele decennia verdween de relatieve autonomie van Ottoland.
Op politiek gebied werden de boeren geconfronteerd met een intensieve
bemoeienis van het rijk en de provincie. Door de uitbreiding van het kiesrecht
kregen steeds meer inwoners van het dorp een stem, terwijl de taken en
bevoegdheden van het gemeentebestuur vrij nauwkeurig in de wet waren bepaald.
Op economisch gebied speelde zich een soortgelijke ontwikkeling af.
Met de industrialisering en de groei van handel en transport werden de
boeren afhankelijker van de wereld-
markt. De produktie van melk en kaas werd overge-
bracht van boerderij naar fabriek, waarvan de produkten werden geëxporteerd
naar verafgelegen streken. Tegelijkertijd veranderde de positie van de
midden-
groepen in het dorp. Sommige ambachten verdwenen, terwijl er een nieuwe
middenstand opkwam.
Zelfs in kerkelijke zaken ontglipte de grote boeren
de zeggenschap. Aan de ene kant vonden veel kerk-
gangers de predikanten en de kerkelijke opleiding veel te vrijzinnig,
aan de andere kant voelden zij zich machteloos omdat regionale en nationale
kerkelijke instanties zich meer en meer bemoeiden met de gang van zaken
op lokaal niveau.
De weerzin tegen de theologische nieuwlichterij en het verlies van macht
en zelfstandigheid in politiek en economisch opzicht leidden ertoe, dat
een deel van deze boeren de hervormde gemeente verliet en een gereformeerde
kerk stichtte.
Afgezien van de specifieke religieuze en economische kenmerken van dit
dorpje zou men in plaats van Ottoland de namen kunnen lezen van al die
andere stadjes, dorpen, gehuchten en buurtschappen die werden beroerd
door
de nieuwe tijd.
Modernisering en eenwording: de maatschappij veranderde drastisch en er
was geen streek en groep
die zich daaraan onttrekken kon.
Zelfs de verhoudingen met en binnen de koloniën in
Oost en West veranderden grondig onder invloed van
de revoluties op het gebied van communicatie, transport en economie.
EEN MODERNE MAATSCHAPPIJ
Traditionele sociale
en politieke verbanden vielen langzaam maar zeker uiteen. De verhoudingen
werden zakelijker en onpersoonlijker.
Op het werk bijvoorbeeld, waar de bedrijven groter werden en ambachten
verdwenen, waar knechten arbeiders en patroons ondernemers werden.
Nieuwe sociale groepen kwamen op terwijl oude elites aan invloed en aanzien
verloren. Steden groeiden in enorm tempo. De geslotenheid van de agrarische
gemeenschap, van de eigen sociale of religieuze groep, alles werd langzaam
maar zeker opengebroken of aangetast.
Sommigen joeg dit alles angst aan, anderen zagen er ongekende mogelijkheden
voor de toekomst in.
De opkomst van allerlei
sociale, politieke en culturele bewegingen en organisaties vormde in zekere
zin een antwoord op de uitdagingen van de nieuwe tijd.
Abraham Kuyper, bijvoorbeeld, probeerde oude christe-
lijke idealen met moderne middelen als pers, onderwijs, partij en vakbond
opnieuw kracht en betekenis te geven. Sterker nog: Kuyper, verklaard tegenstander
van het moderne denken, wist gedurende de laatste decennia van de 19e
eeuw de techniek van moderne massa-organisatie beter te benutten dan welke
politieke leider in Nederland ook.
De modernisering
bracht een totale hervorming van het openbare leven met zich mee. Terwijl
regionale verschil-
len en traditionele volkscultuur werden teruggedrongen, ontwikkelde zich
in korte tijd een nationale, moderne massacultuur.
Een sprekend bewijs daarvan levert de explosieve groei van het aantal
lokale, regionale en landelijke verenigingen met een educatief, verstrooiend,
sportief of ideëel karak-
ter: partijen, vakbonden, beroeps- en standsorganisaties, sportclubs,
muziekkorpsen, missie- en zendingsvereni-
gingen, jeugd- en vrouwenverenigingen, leesclubs, oranjeverenigingen en
ontelbare andere bonden en verenigingen.
Het ontstaan van nieuwe vormen van het openbare leven kwam verder tot
uitdrukking in de snel stijgende oplagen van dagbladen, tijdschriften
en boeken en de toeneming van het aantal bibliotheken, theaters en revues.
Dit hele complex van openbare massa-organisaties en instellingen kwam
grotendeels in de plaats van de traditionele verbanden uit de pre-industriële
tijd.
Een ander aspect
van de wording van Nederland als moderne natie lag in de toenemende invloed
van
de overheid. Het staatsapparaat groeide omstreeks
de eeuwwisseling in hoog tempo.
In de periode tot 1914 verdrievoudigde het aantal ambtenaren, terwijl
de publieke uitgaven evenredig stegen met het aantal maatregelen en voorzieningen.
De centrale overheid greep steeds dieper in op terreinen die zij tot dan
toe niet of nauwelijks had betreden.
Zij stelde regels en zorgde voor financiële middelen op
het gebied van de gezondheidszorg, sociale zorg, woning-
bouw en ruimtelijke ordening; daarnaast legden onder-
wijs en openbare werken een steeds groter beslag op
de financiën en de aandacht van de overheid.
De groei van de nutsbedrijven was evenzeer illustratief voor de sturende
en leidende rol die de overheid in
de moderne samenleving speelde al mag de omvang ervan latere generaties
uiterst bescheiden voorkomen.
VERHEFFING EN BESCHAVING
De modernisering
van de samenleving vervulde, zoals gezegd, sommigen met angst maar vele
anderen met hoop op een betere toekomst.
Zo herleefde in de laatste decennia van de 19e eeuw ook in Nederland krachtiger
dan ooit de verheffingsgedachte: het geloof in de mogelijkheid de mens
door kennis, kunst en opvoeding te verbeteren. Dit geloof in de nieuwe
mens was een vrucht van de Verlichting en werd in Nederland al een eeuw
lang gekoesterd door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Nu leek
de tijd rijp voor de oogst.
Het geloof in een
betere wereld, in de mogelijkheid een nieuwe mens te creëren, is
niet alleen terug te vinden in allerlei utopische en religieuze bewegingen,
maar ook in de meeste politieke stromingen en hun plannen.
In een vrij zuivere vorm vindt men dit vertrouwen terug in het socialisme:
de 'opheffing' van het kapitalisme zou een einde maken aan de vervreemding
van de mens en de weg banen voor een werkelijk harmonieuze samen-
leving.
Maar ook in het radicale liberalisme en in confessionele kringen zijn
talloze elementen van het geloof in de 'maak-
baarheid' van de samenleving terug te vinden.
Het is geenszins overdreven te stellen dat het geloof in
de veranderbaarheid en morele verbetering van
de samenleving rond de eeuwwisseling vrijwel alom-
tegenwoordig was.
Twee gebieden waarop dit alles heel duidelijk naar voren kwam, waren het
onderwijs en de stadsontwikkeling.
In het onderwijs werd het accent steeds nadrukkelijker gelegd op de algemene
vorming in plaats van op het simpelweg leren van wat taal, rekenen en
godsdienst.
Het kind kwam centraal te staan.
Het is overigens opvallend hoezeer onderwijzers en kwekelingen (zoals
de leerlingen van de pedagogische opleidingen werden genoemd) vanaf de
jaren tachtig in allerlei opzichten een voorhoede vormden waar het ging
om de hervorming van de samenleving.
Op het terrein van de woningbouw en stadsuitbreiding ontwikkelden particulieren,
verenigingen en stedelijke besturen ambitieuze plannen. Die waren niet
alleen bedoeld om de steden te verfraaien en de overheid meer greep op
de chaotische ontwikkelingen te geven, maar ook om een bijdrage te leveren
aan de verbetering van
de maatschappij als zodanig.
In rapporten en voorstellen werd onveranderlijk een verband gelegd tussen
woonomstandigheden en het zedelijke peil van de bewoners.
Dit peil te verhogen - desnoods met dwangmiddelen - en de maatschappelijke
harmonie te bevorderen vormden een belangrijk uitgangspunt in de politiek
van stads-
uitbreiding.
EEN HARMONIEUZE
SAMENLEVING
Sommige opdrachtgevers,
architecten en ontwerpers koesterden zeer hoge verwachtingen van hun projecten.
Opzienbarend was bijvoorbeeld het woonpark dat gebouwd werd in opdracht
van J.C. van Marken,
stichter en directeur van de Gist- en Spiritusfabriek in Delft.
Van Marken, zoon van een Amsterdamse predikant en
in 1867 als eerste 'technoloog' afgestudeerd aan de Poly-
technische School in Delft, was behalve een ambitieuze en buitengewoon
succesvolle ondernemer vooral ook een idealist en een praktische sociale
hervormer.
Zo experimenteerde hij binnen zijn bedrijf met onder-
nemingsraden, bedrijfsverzekeringen en winstdeling op een moment dat de
meeste Nederlandse ondernemers daarvan niet eens gehoord hadden.
Hoewel hij af en toe de neiging had zijn personeel te betuttelen, richtte
Van Marken ook bedrijven en coöpe-
raties op die door het personeel zélf werden beheerd.
Een van die coöperaties werd gevormd door de bewoners van het complex
dat in 1884 verrees aan de rand van Delft: het Agnetapark, vernoemd naar
de echtgenote van Van Marken.
De bouw was een rechtstreeks gevolg van een woning-
onderzoek dat het echtpaar Van Marken had ingesteld onder het personeel.
Hoewel de vrij goed betaalde arbeiders van de Gist-
fabriek bepaald niet de slechtste huizen bewoonden, beoordeelde het echtpaar
hun woonomstandigheden negatief.
Het Agnetapark bestond uit 78 woningen, 'paleisjes' in
de ogen van tijdgenoten; ze waren door groen omgeven. ruim, licht en van
moderne gemakken voorzien.
In de volgende jaren verrezen bovendien een gemeen-
schapshuis waar tal van uitvoeringen en concerten werden gegeven, een
bewaarschool met de veelzeggende naam 'De Hoop der Toekomst' en tal van
andere voor-
zieningen.
Dit alles paste geheel in het hervormingsprogramma van Van Marken, waarvan
opvoeding en culturele vorming
de laatste fase uitmaakten.
Nationaal en internationaal trok het Agnetapark grote belangstelling.
Het was, in de woorden van een Britse auteur, 'een gemeenschap van eendracht,
een Hollands Utopia'.
Toch was Van Markens industriële woningpark niet uniek. Ondernemers
buiten Nederland waren hem voorgegaan, zoals de Britse fabrikant en hervormer
Robert Owen, de Elzasser textielfabrikant Jean Dollfuss, de Britse zeepproducent
William Lever, de Noord-
italiaanse industrieel Silvio Crespi, de Duitse metaal-
fabrikant Krupp en de gebroeders Cadbury.
Ook door utopisch socialisten was al geëxperimenteerd met dergelijke
woonvormen.
De bijzondere aantrekkingskracht van het Agnetapark was dan ook vooral
gelegen in het samenspel van allerlei elementen, zoals vormgeving, situering
en algemene voorzieningen. Tevens sloot het project nauw aan bij enkele
tendensen in de stedebouw, waarvan de Tuinstad-
beweging een van de uitvloeiselen zou zijn.
Het idee van de tuinstad werd in 1898 voor het eerst duidelijk geformuleerd
door de Engelsman Ebenezer Howard. In de tuinstad zouden de voordelen
van stad en platteland worden verenigd, tot fysiek en geestelijk heil
van de bewoners; uit de tuinstad zou volgens Howard 'een nieuwe hoop,
een nieuw leven, een nieuwe bescha-
ving' groeien.
Deze ideeën verwierven in korte tijd enorme invloed en populariteit,
ook in Nederland. In verscheidene steden werden plannen ontwikkeld die
op de tuinstadgedachte waren geënt. Een aantal ervan is ook gerealiseerd,
zoals de tuindorpen Heyplaat en Vreewijk in Rotterdam.
Ook Van Markens project vond navolging.
Tien jaar na het Agnetapark werd in Enkhuizen het Snouck van Loosenpark
gebouwd, in 1912 volgde
't Lansink in Hengelo en in 1914 Patmos te Enschede. Cacaofabrikant C
J. van Houten kwam zelfs met een
plan om in Weesp een park met 550 woningen te laten bouwen.
Het ontwerp voor het parkdorp, dat 'Nirwana' zou gaan heten - naar de
staat van verlossing die boeddhisten nastreven - voorzag in speeltuinen,
badhuizen, leeszalen, muziek- en zanglokalen, biljartzalen, een school
en een kerk. Een waar paradijsje dus.
'Nirwana aan de Vecht' werd echter nooit gerealiseerd. Praktische problemen
dreigden het project onaanvaard-
baar duur te maken, althans in de ogen van de meerder-
heid in de directie van de cacaofabriek.
DE STAD VAN DE
TOEKOMST
Niet alleen bij idealistische
opdrachtgevers, ook bij
de ontwerpers zelf leefde de gedachte aan verheffing van de mens.
Dat geldt in ieder geval voor de grootste en invloedrijkste Nederlandse
architect uit deze periode, H.P. Berlage.
Berlage, die een
klassieke studie bouwkunde in Zwitser-
land had gevolgd, brak aan het einde van de eeuw radicaal met de heersende
architectonische conventies.
Met zijn nieuwe, sobere en strakke ontwerpen groeide hij uit tot een van
de belangrijkste grondleggers van
de moderne architectuur.
Volgens Berlage was de bouwkunst ontaard in een bonte mengeling en opeenstapeling
van stijlen en ornamenten, zonder eenheid, zonder ziel.
De architecten kopiëren alleen nog maar, schreef hij in 1886, aan
het begin van zijn radicale ontwikkeling.
De oorzaak lag in de burgerlijke maatschappij: het ontbre-
ken van een gemeenschappelijk politiek, religieus of artistiek ideaal
had onvermijdelijk geleid tot stijlloosheid. De 19e eeuw, aldus Berlage,
was een eeuw van tegen-
stellingen, van lelijkheid en richtingloosheid, niet alleen in esthetisch,
maar ook in sociaal en moreel opzicht.
Als humanist en gevoelssocialist
geloofde Berlage dat deze lelijkheid alleen te overwinnen zou zijn door
een nieuw ideaal. In 'De Kroniek', het blad dat zich in deze jaren ontpopte
als spreekbuis van de nieuwe generatie 'gemeenschapskunstenaars' en kritische
intellectuelen, schreef hij over dat ideaal als een 'gemeenschappelijk
levensdoel, van een samenwerking van allen in één richting'.
Berlage geloofde dat hij, de bouwmeester, door te expe-
rimenteren een nieuwe Stijl kon helpen ontwikkelen -
een Stijl die alvast de uitdrukking zou kunnen zijn van
de komende samenleving.
Berlages denkbeelden
waren dus utopisch en praktisch tegelijk. Hij zou ze zijn leven lang trouw
blijven, zowel in zijn architectonische ontwerpen als in de stadsuit-
breidingsplannen waarmee hij zich vooral na de eeuw-
wisseling intensief bezighield en waarin hij de koers uitzette van de
Nederlandse stedebouw in het eerste kwart van de 20e eeuw. Tegenover de
ordeloosheid en
de slechte kwaliteit van de stedelijke woningbouw stelde Berlage, uitgaande
van de gedachte van de grote stad als kunstwerk, plannen die tegelijkertijd
een technisch, esthetisch en politiek programma omvatten.
ZEDELIJKHEID EN
HUISVESTING
Van Marken en Berlage
waren weliswaar zeer uitge-
sproken in hun idealisme, ze stonden zeker niet alleen.
In vele stedelijke uitbreidingsplannen zijn de echo's van dit idealisme
te bespeuren, evenals in de voorstellen en maatregelen tot sanering van
de oude binnensteden.
De veranderende houding
ten opzichte van de oude wijken in de binnenstad vormt misschien wel het
beste bewijs van de grondige mentaliteitsverandering aan het einde van
de 19e eeuw.
Deze oude buurten met hun labyrinten van stegen, gangen en spleten, hun
lage en bedompte huisjes en kelderwoningen, waren eeuwenlang zonder al
te veel bezwaren of wroeging gedoogd.
In de tweede helft van de 19e eeuw begon men deze wijken echter in toenemende
mate te zien als een bron van 'zedelijke verval'.
Nu ging het in sommige gevallen inderdaad om buurten waarvan de bewoners
aan de zelfkant van de maatschap-
pij leefden, maar dat was lang niet altijd het geval.
De term 'zedelijke
verval' had een veel bredere betekenis en sloeg bijvoorbeeld ook op het
slapen van het gezin in één bed(stee) of kamer, het leven
en spelen op straat,
het gebrek aan hygiëne en het ontbreken van stromend water en riolering.
Het opruimen van sloppen en krotten paste in een veel breder proces van
verheffing en beschaving van het volk.
Armoede werd niet langer gezien als een tijdloos en onoplosbaar probleem
dat hooguit verzacht kon worden door christelijke naastenliefde en filantropie.
Men geloofde nu in de mogelijkheid tot werkelijke verbetering.
De maatregelen en propaganda tegen de zedeloze kermis, drankmisbruik,
prostitutie, landloperij, kinderarbeid, echtbreuk en allerlei andere uitingen
van onbeschaafdheid en 'onmaatschappelijkheid' waren onlosmakelijk verbonden
met de strijd voor onderwijshervorming, woningverbetering' en sociale
zekerheid.
Al deze lijnen zouden omstreeks de Eerste Wereldoorlog samenkomen in de
bouw van 'heropvoedingscomplexen', waar 'ontoelaatbare' en 'asociale'
gezinnen onder toezicht van maatschappelijke werkers werden gehuisvest.
Het zal duidelijk zijn dat deze manier van denken niet typisch was voor
een of andere politieke stroming.
De diverse partijen verschilden op fundamentele punten zeker van mening
over de vraag welke de oorzaken van de maatschappelijke problemen en tegenstellingen
waren en hoe deze het beste konden worden opgelost.
Maar er waren ook punten van overeenkomst.
Zo werd de overheid vanaf het einde van de eeuw alge-
meen een steeds grotere rol toegekend.
De staat werd niet langer beschouwd als een neutrale 'nachtwaker', maar
als een actieve zedelijke macht die
'in het algemeen belang' mocht - of beter: diende - in te grijpen in de
maatschappelijke verhoudingen.
OP DE DREMPEL
VAN EEN NIEUWE TIJD
De decennia rond
de eeuwwisseling waren de jaren waarin de fundamenten van de moderne Nederlandse
samen-
leving werden gelegd. De veranderingen gingen enorm snel en grepen, direct
en indirect, diep in op het leven van iedere Nederlander, zowel in de
stad als op het platteland. Maar hoewel de modernisering van de samenleving
en
de uitholling van eeuwenoude tradities voor veel span-
ningen zorgden, leidden ze vrijwel nergens tot sombere bespiegelingen
over het verval van de beschaving.
Er was kritiek, scherpe kritiek soms, maar deze was vrijwel steeds opbouwend
van karakter.
De enorme ommekeer
in het sociale, politieke en culturele leven bleek vele Nederlanders te
inspireren tot grote activiteit en verrassende initiatieven.
Ook voor de meeste intellectuelen en kunstenaars leek
de modernisering van de samenleving eerder een uit-
daging te vormen dan, bijvoorbeeld, een motief om zich van de maatschappij
af te keren, zoals dat gebeurde in Oostenrijk, Frankrijk en Duitsland.
Dat Nederland in vergelijking tot veel andere landen betrekkelijk stabiele
sociale en politieke verhoudingen kende, zal daartoe ongetwijfeld hebben
bijgedragen.
Wat dat betreft leek de situatie in Nederland meer op die in Engeland.
De decennia rond
de eeuwwisseling waren jaren van grote werkzaamheid. Ze werden beheerst
door het geloof in
de vooruitgang, niet alleen in materieel maar ook in moreel opzicht -
al stoelde dat geloof op zeer verschillende levensbeschouwelijke, politieke
en religieuze gronden.
De toon die men aansloeg was soms zeer kritisch, maar altijd optimistisch.
Men had het gevoel op een breukvlak te staan, op de drempel van een nieuwe
tijd.
De blik was daarbij niet gefixeerd op de naderende onder-
gang van de beschaving - of, minder sterk, op de enorme problemen die
de maatschappelijke veranderingen onver-
mijdelijk met zich meebrachten - maar op een betere toekomst.
Veel idealen, in deze jaren geformuleerd, klinken tot op
de huidige dag door in de politiek, de stedebouw,
de cultuur, het maatschappelijk werk en het onderwijs.
|