|
Winkels en warenhuizen

Aanvankelijk vooral
in de steden
verscheen naast de traditionele winkel
het al dan niet gespecialiseerde verkoopmagazijn
dat met een ruim assortiment
speculeerde op een grote en snelle omzet
en daarom genoegen nam met een kleine winstmarge.

Etalage
van magazijn voor heren- en jongenskleding te Rotterdam aan de vooravond
van de Eerste Wereldoorlog.
Een bijna naturalistische wijze van etaleren,
als in een levensecht diorama.

Tot
de service van kleinere neringdoenden
behoorde de bezorging aan huis
met name van verse consumptie artikelen.
Veel slagers en bakkers bijvoorbeeld hadden eigen jongens in dienst die
per transportfiets de bestellingen afleverden,
luid bellend en een gevaar voor andere weggebruikers.
Uit hun rijen zijn befaamde wielrenners voortgekomen.
|
|
Van
klant tot koning
Tussen 1880 en 1914
vond er een ingrijpende verandering plaats in de wijze waar de Nederlander
zijn boodschappen deed. Het was een hele verbetering, maar er waren ook
schaduwkanten.
Wie
tegenwoordig, zelfs in het kleinste dorp, de plaatselijke supermarkt binnenloopt
en zijn winkelkarretje vult met producten uit heel Europa of van verder
weg zal zich zelden afvragen hoe het winkelen vroeger ging. Aan het begin
van de vorige eeuw bijvoorbeeld.
Het ging anders. Sterker: tussen 1880 en 1914 heeft er op dit terrein
een stille revolutie plaatsgevonden.
Tot ver in de 19e eeuw kocht vrijwel iedereen wat hij nodig had bij degene
die het maakte:
zeep bij de zeepzieder; kaas bij de kaasmaker;
boter, melk, vlees, groenten en fruit bij de boer.
Alleen
in de stad zat daar inmiddels een schakel tussen:
de marktkoopman of kleine neringdoende die de afstand tussen producent
en consument overbrugde en, tegen een kleine prijsopslag, de stedeling
de gang naar het platteland bespaarde.
Na het midden van de vorige eeuw begon in die situatie in snel tempo verandering
te komen.
Eerst in de stad en vervolgens in de dorpen verschenen winkels waarin,
in een groeiend assortiment, allerlei artike-len te koop waren. Maar in
lang niet alle gevallen was dat een verbetering.
Zeker niet in gebieden waar zich industrie had gevestigd. Want met name
ten plattelande verplichtten werkgevers hun arbeiders vaak het loon te
besteden in winkels waarin ze belang hadden, werd daartoe in natura (levensmiddelen,
brandstof) betaald en dan vaak tegen een prijs die hoger lag dan elders.
Gedwongen winkelnering heette dat.
In Drenthe
was het een lange tijd zo dat de winkeliers veenputten huurden en daar
arbeiders op zetten die ze op deze wijze volledig aan zich bonden. Deze
misstand, want dat was het, werd bevestigd door alle commissarissen der
konings. Ze achtten zonder uitzondering de gedwongen winkelnering nadelig
voor de werknemers en vroegen zich af of een wettelijk verbod niet op
zijn plaats zou zijn.
Want op krediet kopen moesten ze vaak wel, de zwakkeren in de samenleving
van toen.
Het loon was zo bescheiden dat het iedere, week schoon op ging. Een arbeider
kwam onmiddellijk in nood als hij een paar dagen geen werk had, er een
baby op komst was of een dokter over de vloer moest komen.
Coöperaties probeerden uitkomst te bieden. Door toedoen van met name
de sociaal-democraten, maar later ook van protestantse en katholieke zijde
werden aan het begin van
de eeuw winkelcoöperaties opgericht.
Hun doelstelling was de kosten van grossier en winkelier te vermijden
en zo tegen lagere prijzen te leveren.
De
winkel wordt weer populair
De winkels kregen ook een ander aanzien, zeker in de grotere plaatsen.
De kleine ramen waarachter een paar artikelen stoffig lagen uitgestald
moesten plaatsmaken voor grote spiegelruiten en echte etalages.
Omstreeks
1900 verschenen hier en daar de eerste, moderne hulpmiddelen als snelwegers
en kasregisters.
Ze vervingen de bascule en het houtblok vol koperen gewichtjes, en de
papieren zak waarop - onleesbaar voor
de klant - het aankoopbedrag werd uitgerekend.
En in het assortiment van de betere winkelier verschenen artikelen die
tot dan toe vrijwel onbekend waren:
jam, vermicelli, havermout, puddingpoeder, lucifers, zeeppoeder - en niet
te vergeten de eerste conserven in blik.
Warenhuizen
rukken op
Inmiddels was in het buitenland een nieuw type winkel-bedrijf ontstaan.
Naast winkels met een kleine omzet en daarom een ruime winstmarge, verschenen
in de steden verkoopmagazijnen die niet alleen een zeer groot assorti-ment
voerden maar die met een kleinere winst genoegen namen omdat ze rekenden
op een grote en snelle omzet.
Het deftige publiek zette aanvankelijk geen voet in deze warenhuizen waar
immer 'Jan en alleman' kocht, aangetrokken door de lage prijzen.
Ook
Nederland had al sinds 1830 zo'n warenhuis met zijn Winkel van Sinkel.
Maar die zaak waar zoals algemeen bekend 'alles te koop was' ging in 1903
failliet.
Het bedrijf had het moeten afleggen tegen de modernere warenhuizen.
Die wekten naar Frans model de illusie van betere smaak en werden mogelijk
gemaakt door Belgische geldschieters.
Al vrij snel lokten de Bijenkorf, Vroom en Dreesmann en Brenninkmeyer
het grote publiek met een uiterst gevarieerd assortiment: confectie, meubels,
huishoudelijke artikelen, levensmiddelen, snuisterijen en wat al niet.
Een variant op de warenhuizen waren de filiaalketens van sommige levensmiddelenwinkeliers.
Bekend is het kruideniersbedrijf van P.J. de Gruyter
-'Piet de Dief' in de volksmond, ondanks de slogan
'En tien procent én betere waar'-
dat al in het begin van de vorige eeuw was opgericht in 's Hertogenbosch.
Andere
namen in deze sector:
Simon de Wit, oorspronkelijk begonnen als een kaashandel, en sinds 1887
Albert Heijn.
Al voor 1914 groeiden deze grootgrutten uit tot grootwinkel-bedrijven,
die het de buurtkruidenier en andere kleine neringdoenden moeilijk begonnen
te maken.
Toch had die buurtkruidenier tot ver na de eeuwwisseling een sterke, sociale
functie.
De buurtbewoners, met name de vrouwen, troffen er elkaar en wisselden
tussen het inkopen door het kleine nieuws uit.
Anders dan de slager of de bakker bood hij met zijn assorti-ment aan 'grutterswaren'
ook uitzicht op een wereld die verder weg lag.
Dat stond, met zoveel woorden, ook in een boog te lezen op zijn etalageruit:
COMESTIBLES (wat dat dan ook wezen mocht) of KOLONIALE WAREN.
En in zijn winkel rook het ook naar ver weg.
Thee en koffie werden los verkocht, uit houten kisten die van binnen met
bladtin waren bekleed, en in kleine laatjes zaten muskaatnoten en foelie
en witte of zwarte peperkorrels.
Zo'n buurtwinkel had men dus dagelijks nodig.
Naar de stad gaan om te 'winkelen', bij voorkeur 's zater-dagsmiddags
was nog geheel onbekend.
Dat gebruik zou pas in de jaren '20 van de 20e eeuw ingeburgerd raken.
|