Vrijetijdsbesteding

 

 

 

 

 

 

 

 


De winnaars van de tandemtoerrit
tijdens de Friese Elfstedentocht voor fietsers in juni 1912,
de heren Boer (links) en Wüst.

 

 

 

 

 

 

 



Hengelen in verenigingsverband
was ook aan het begin van de 20e eeuw
al een populaire vrijetijdsbesteding.
Soms trok men per boot naar een veelbelovende visstek,
zoals deze leden van de afdeling Leeuwarden
van de Nederlandse Hengelaarsbond in 1910.

 

 

 

 

 

 


klik voor een groter formaat

Recreatieruiters op het strand bij Scheveningen in 1913.
Paard rijden was ook toen al een vrijetijdsbesteding
die alleen de betere klasse zich kon veroorloven.

 

Wennen aan
'des duivels oorkussen'

 

Veel vrije tijd hadden onze voorouders niet en toen ze die, mondjesmaat,
kregen moesten ze er danig aan wennen.
Omdat het Nederlanders waren moesten ze hem wél nuttig besteden.


De deftige sociëteit was natuurlijk niet voor de gewone man.
Die had het café en de kermis, en al gauw ook het voetbalveld, de wiel-
erbaan en de bioscoop.
Maar dat alles stond de nationale schoolmeesters toch niet zo aan.
Er moest iets nuttigers te verzinnen zijn.

 

Hoe brachten onze voorouders honderd jaar geleden hun vrije tijd door?

Gingen ze, zoals wij, naar het theater of werkten ze in hun volkstuintje; klusten ze in huis of luisterden ze naar de radio; lazen ze boeken, gingen ze op visite bij vrienden en kennissen?

En wat deden ze tijdens de vakantie?

Werkelijkheid is dat de meeste Nederlanders omstreeks de eeuw-wisseling, nog geen honderd jaar geleden, nauwelijks vrije tijd hadden.

Op het platteland werd, zeker in het seizoen, van ‘s morgens vroeg tot
‘s avonds laat gewerkt en de enige rustpunten waren de gods-dienstige
of rituele feesten in de loop van het jaar: Kerstmis en Pasen, de dorps-
kermis en in sommige streken het carnaval.

De arbeiders in de stad waren zelfs dát kwijtgeraakt.
Betaalde vakanties kenden ze niet;
omstreeks 1870 werkten ze zeventig uur per week
en in 1910 zestig uur
— nog altijd zo’n 10 uur per dag, gemiddeld.

Zondags hadden ze vrij, inderdaad, en in kleinere steden ook als het kermis was of er een ander lokaal feest werd gevierd. Maar dat gebeurde hooguit zeven of acht keer per jaar.


Sociëteit of wielerbaan?

Vrije tijd hadden omstreeks de eeuwwisseling eigenlijk alleen
de rijken en een aantal bevoorrechte groepen: onderwijzers bijvoorbeeld en, aan het begin van de eeuw, de ambtenaren.

De eerste categorie, de rijken, hadden hun eigen circuit.
Ze maakten gebruik van de nieuwe reismogelijkheden en trokken naar populaire vakantieoorden als Pau, Cannes en Nice.

Een deel van hen zal ook wel verantwoordelijk zijn geweest voor
de 165.000 arrangementen die het reisbureau Thomas Cook in 1851 boekte naar de Great Exhibition, de Wereldtentoonstelling,
in Londen.

De gezeten burgerij hield zich in haar vrije tijd met andere zaken bezig. Velen waren, overblijfsel van een vroegere tijd, lid van zangkoren of toneelgezelschappen.
Vrijwel iedere stad, zeker in de provincie, telde er nog tientallen.

Anderen waren lid van een sociëteit: een gezelschap van doorgaans zo’n tweehonderd leden die via ballotage zorgvuldig werden uitgekozen. Zo’n sociëteit schiep een band; het was een soort tweede thuis.

In een feestrede uit 1912 heette het dat de burgerij van de betref-fende stad naar de sociëteit kwam ‘om zich te verpoozen na den dagelijkschen arbeid, om met elkaar te bepraten de geschiedenis van den dag, om met elkaar vroolijk te zijn, om zich aan biljard-, kolf—, kegel- of kaartspel te wijden, kortom om mee te leven
het sociëteitsleven, dat in Nederland steeds heeft gebloeid en ter stede bijzonder gunstig bekend was’.

Dat deftige sociëteitsleven stond nogal in tegenstelling tot de wijze
waarop de gewone man zijn schaarse vrije uren doorbracht:
rondhangen in het café, de kermissen aflopen, gokken en kaarten,
een beetje rondwandelen in de buurt en her en der een praatje maken.
‘s Zondags trokken velen naar een voetbalwedstrijd of naar
de wielerbaan, want het baanrennen was in opkomst.

Vrije tijd als gevaar

Vrije tijd als middel tot ontspanning was aan het einde van
de vorige eeuw een betrekkelijk nieuw begrip; de meeste Nederlanders moesten er nog aan wennen.
Niet in de laatste plaats degenen die zich, in alle oprechtheid overigens, beschouwden als de hoeders van ziel en zaligheid:
de pastoors, de predikanten, de schoolmeesters en aanvankelijk ook de socialistische voormannen.

Arbeid waardeerden ze hoger dan niet werken; ledigheid was des duivels oorkussen.
En wie de neiging had van die ‘ledigheid’ te genieten werd al snel gezien als een lanterfanter of een luiwammes die maar snel iets nuttigs moest aanpakken.

Uithuizigheid was in hun ogen een kwaad waartegen niet sterk genoeg gewaarschuwd kon worden.
Lichtzinnig gezelschap immers was snel gevonden en tegen de verleidingen die het voortbracht was niet iedereen bestand.

De pastoors wilden dan ook het liefste dat hun schaapjes thuis bleven en in het gezin hun vertier zochten; de dominees hielden waarden als beroep en arbeid hoog en vonden veel vrije tijd een regelrechte bedreiging voor het zieleleven van hun gemeenteleden.

En de socialistische leiders hadden vooral de verheffing van de arbeidersklasse op het oog. Tegen meer vrije tijd hadden ze geen bezwaar, mits de leden van hun organisaties die maar besteedden aan vakbondswerk en allerlei scholingscursussen.

De Nederlandse ideologiebepalers waren even ernstig als de Amerikaanse puriteinen van die tijd:
vrijetijdsbesteding en ontspanning moesten zinvol zijn, tot iets nuttigs leiden.
Dat ook louter ontspanning, het zich naar hartelust kunnen vermaken, zinvol kan zijn was een gedachte die in Nederland pas tamelijk laat ingang vond.

Toch raakten uitgaan en vermaak al vóór 1914 in de greep van de commercie. Een aantal traditionele vermaken bleef bestaan of kreeg onder invloed van de toenemende vrije tijd nieuwe impulsen. Maar daarnaast begon het betaalde vertier in de mode te raken:
kijksporten en de bioscoop voor de massa, het theater en de revue voor anderen.

Met name deze ontwikkelingslijn leidde op de duur tot het accepteren, ook in Nederland, van wat wel de fun morality wordt genoemd: vrijetijdsbesteding louter omwille van het vermaak.

De andere lijn, die van de zinvolle ontspanning, voerde naar actieve natuurrecreatie in gezinsverband of met vrienden; naar het verschijnsel van de volksbibliotheek en naar allerlei instituten, de volkshogeschool bijvoorbeeld waar velen vlijtig cursussen volgden om hogerop te komen of om hun vrije tijd nuttig door te brengen.

 
 
 
 
 

naar inhoud 1900
naar index